Gevangen in Irasta

Onopgemerkt

Issy sluipt door de donkere gangen. Niemand mag haar hier tegenkomen. Zelfs niet Steward Helno, haar baas die haar op pad had gestuurd. Het is nu eenmaal streng verboden om ontdekt te worden. Er staan zware straffen op, wanneer ze ontdekt wordt. Ze kan nog net in de schaduw wegduiken, als ze iemand hoort aankomen. Mirko en Arjon. Twee van de beste mannen van Helno, ze gaan over oppakken, meenemen en afhandelen. Issy haalt diep adem. Mirko en Arjon zijn erop getraind iedereen op te merken die zich in de duisternis verschuilt. Dus als ze hadden opgelet of er iemand zich in de duisternis had verstopt, hadden ze haar hoogst waarschijnlijk opgemerkt.
Issy rent verder door de gangen. Ze moet op tijd bij Helno komen en haar informatie aan hem vertellen. Bij te laat komen, kan Issy een uitbrander verwachten en zou Helno dreigen met dat hij haar zou vervangen. De rillingen lopen over Issy's rug als ze er aan denkt dat ze vervangen wordt. Dat betekent dat ze hier weg moet, dat ze op straat kan gaan leven! Dat had ze gedaan voordat ze hier kwam. Ze had het vreselijk gevonden. Het was per toeval gegaan, dat ze hier was gekomen. Issy was voor de verkeerde aangezien.
Ze zucht als ze bij de deuren van de vergaderzaal aankomt. De deuren zijn nog open. Nog net op tijd! Snel stapt ze naar binnen en zakt op haar plaatsje neer. Mirko en Arjon grijnzen even naar haar. Issy komt altijd maar net op tijd.
‘Je hebt zeker snel gerend, niet waar Issy? Want wij zijn je niet tegen gekomen,’ zegt Mirko.
Mirko en Arjon zijn net tweeling. Ze zijn nooit zonder elkaar, maken elkaars zinnen af en weten wat de ander denkt.
‘Jullie hebben me ingehaald,’ zegt Issy zacht.
Issy spreekt zeer weinig. Lang geleden is het haar hardleers aangeleerd dat spreken fout is en dat terwijl ze weet dat het hier, in het bedrijf van Helno absoluut niet fout is. Voor Issy is het meer noodzaak dat je spreekt op de momenten dat het van je wordt verwacht.
‘Echt, waar?’ vraagt Arjon verschrikt. ‘We hebben niemand gezien. Dat kan niet!’
‘Nee,’ zegt Mirko. ‘Zoals altijd letten we heel erg goed op. Voor het geval we een wit voetje bij Helno willen halen.’
‘Dus, wij hebben je niet ingehaald!’ zegt Arjon een beetje geïrriteerd.
‘Jawel..’ mompelt Issy. ‘Jullie waren stil en liepen haastig.’
Issy kijkt naar het tafelblad. Ze kan er wel tegen in gaan, maar als Arjon en Mirko volhard vasthouden dat het niet kan, dan heeft het geen zin om er tegen in te gaan. Helno stapt de vergaderkamer binnen.
‘Helno! Moet je nou toch horen,’ roept Arjon. ’Issy beweert dat we haar voorbij gelopen zijn. Dat we haar niet gezien hebben! Dat is toch onmogelijk!’
Helno kijkt van Arjon naar Issy. Issy kijkt niet op of om. Ze staart onafgebroken naar het tafelblad.
‘Is dat zo Issy?’ vraagt Helno.
Issy knikt heel langzaam.
‘Zorg dat het niet weer gebeurt, heren!’ zegt Helno met klem.
‘Maar dat kan niet! Echt niet!’ roept Mirko uit. ‘Ze maakt gewoon een stom grapje! We zien nooit iemand over het hoofd!’
‘Dan is dit de eerste keer,’ zegt Helno kalm en hij gaat op zijn stoel zitten. Aan het hoofd van de tafel. ‘We hebben werk te doen. Buiten spelen doen jullie ergens anders maar.’
Issy kijkt voorzichtig naar Helno. Normaal zou hij zo kwaad zijn geworden wanneer hij zoiets hoort. Nu lijkt hij heel erg in zijn nopjes. En maakt hij zich helemaal geen zorgen om het feit dat ze iemand niet hebben gezien, die er wel is.
Ze krijgt een kwade blik toegeworpen van Mirko en Arjon. De rillingen lopen over haar rug. Het maakt haar altijd bang, zo’n kwade blik. Als men dat vroeger deed, stonden haar altijd dingen te wachten, die ze liever uit de weg gaat.
‘Goed, laten we maar beginnen.’
Issy zwijgt. Ze is plotseling alle informatie vergeten. Mirko blijft Issy een tijdlang aan kijken. Helno heeft haar nog niet gevraagd om het te vertellen, maar het lijkt alsof de mensen in de vergaderruimte weten dat Issy het niet meer weet. Aangezien het zo lijkt, is het voor Issy niet erg vreemd dat tijdens de vergadering niemand iets aan haar vraagt, zelfs Helno niet. De vergadering gaat zoals altijd over mensen die moeten verdwijnen, wapenhandel, achtervolgingen en natuurlijk over de gevaarlijke gevangenis Irasta. Alleen in gesloten ruimtes mag je over Irasta spreken. En dat is dan ook de enige plek. Vandaag is Irasta erg aanbod tijdens de vergadering. Issy probeert hardnekkig te herinneren welke informatie ze had. Het ging over iemand die in Irasta zat, dat weet ze heel zeker.
‘Zo, dan is dat besproken. Iedereen weet z’n taak?’ vraagt Helno.
Issy kijkt verschrikt op. Doordat ze zo bezig is geweest met wat ze voor informatie ze had, is ze vergeten op te letten.
‘Issy, jij blijft. De rest kan gaan,’ zegt Helno.
Issy knikt. Arjon en Mirko blijven zitten, de rest die tijdens de vergadering aanwezig was, verlaat de kamer.
‘Arjon, Mirko dit heeft niet met jullie te maken. Jullie kunnen gaan.’
‘Nee,’ zegt Arjon.
‘Het is vast belangrijk. Als we Issy inderdaad niet hebben opgemerkt, is het belangrijk dat we over belangrijke zaken op de hoogte zijn,’ vervolgt Mirko.
Helno kijkt een tijdje naar Issy. Ze zit een beetje in elkaar gedoken, schuin tegenover hem, diep in gedachte verzonken.
‘Issy, wat weet je over Ashanti?’
‘Ik ben het vergeten,’ stamelt ze.
‘Vergeten?’ roept Arjon uit. ‘Hoe kan dat nou!?’
Arjon schreeuwt bijna. Issy duwt haar lippen op elkaar. Dit bewijst alleen maar dat spreken niet goed is, zoals haar geleerd is. Het brengt alleen ongewilde discussies teweeg. Nu Arjon zo kwaad uitvalt, wil Issy helemaal niet meer herinneren wat ze had gevonden! Hoe belangrijk die informatie ook is.
‘Arjon!’ Helno kijkt Arjon kwaad aan. ‘Ik zei jullie beide de zaal te verlaten. Als een van jullie nog één ongevraagd woord zegt, is het afgelopen. En verlaten jullie direct deze ruimte. Duidelijk?’
Wanneer je zo’n keel tegen Issy opzet is het bijna onmogelijk om er nog een goed woord uit te krijgen. Dat is in het verleden wel vaker gebleken.
‘Ja, Helno,’ zeggen Arjon en Mirko.
‘Goed, Issy, belangrijke informatie vergeet je niet.’ Helno leunt achter over in zijn stoel. ‘Was Ashanti nog in leven?’
Issy knikt na een tijdje. Ashanti is in leven in Irasta. Maar van haar bronnen heeft ze gehoord dat ze zou worden overgeplaatst. Nu weet ze het weer. Ashanti zou worden overgeplaatst naar een hoger level.
Dat betekent dat de kans op doorverkoop groter wordt. Haar bron had haar verteld dat, ook al werd zij overgeplaatst, dat dan nog de kans groot was dat ze nooit uit Irasta zal komen.
‘Helno,’ mompelt Issy. ‘Ashanti gaat naar hoger level. Het twee na hoogste.’
‘En dat betekent?’ vraagt Mirko.
‘Dat betekent,’ antwoord Helno terwijl hij zijn vingers over elkaar legt, ‘dat er een ietwat grotere kans is dat ze wordt door verkocht. Maar dat maakt niet dat haar overlevingskansen toenemen.’
Arjon geeft Mirko een por.
‘Dan kunnen wij haar vrijkopen!’ roept hij uit.
‘Nee, dat zal niet gaan,’ zegt Helno langzaam. ‘Als het zo makkelijk was, hadden wij dat allang gedaan! Om dat te kunnen doen, heb je de juiste rang uit het stelsel nodig. Wat weet je daarvan?’
‘Niets,’ zegt Issy zacht.
‘Zoek dat uit! En heren, volgende keer wil ik niet horen dat jullie iemand voorbij zijn gelopen zonder die persoon te zien!’
‘Ja, Helno!’
‘Goed, jullie kunnen gaan.’
Arjon en Mirko staan op en lopen de kamer uit. Issy kijkt Helno een tijdje zwijgend aan voordat ze opstaat en Arjon en Mirko volgt.
‘Ze is in kritieke toestand,’ zegt ze zacht voordat ze de kamer uitloopt.
‘Weet ik,’ antwoordt Helno.

De Bron

Issy slentert door de straten van de stad. Het is laat, er is bijna niemand op straat. Ze denkt na over Irasta. Ashanti zit er al maanden opgesloten. De reden is eigenlijk onduidelijk. Het enige wat Ashanti doet in het bedrijf van Helno is mensen in de gaten houden. Ze schaduwen en heel soms ondervraagt ze mensen. Dat is alleen als Arjon en Mirko het te druk hebben. Arjon en Mirko zijn gek op haar. Een droomvrouw en eentje waar je een moord voor zou begaan. Issy heeft een keer een foto gezien. Het is een slanke vrouw en ze moet ergens in de dertig zijn. Haar groene ogen matchen perfect bij de oranje pijpenkrullen. De foto blijft in je geheugen plakken vanwege de lach. Een lieve geheimzinnige lach. Als Issy de verhalen moet geloven is Ashanti de meest geheimzinnige vrouw, die Issy ooit zal tegen komen, maar ook de liefste. Als Mirko en Arjon het soms over haar hebben, glinsteren hun ogen. Ze zullen er alles aan doen om haar vrij te kopen.
Het is tijd om naar een van haar bronnen te gaan om daar het een en ander aan te vragen. Waarschijnlijk kan ze daar dan ook de nacht doorbrengen. Aangezien Arjon en Mirko nu iedereen extra goed in de gaten hielden, word de kans groot dat ze een opmerking te horen krijgt wanneer ze haar zien lopen, alleen maar om te laten zien hoe geweldig goed ze iedereen in de gaten kunnen houden.
Issy loopt het ene steegje in en het andere uit. Ze sloft een beetje rondjes richting het kleine rode huis dat tussen twee andere huizen is gepropt. Een misplaatst huis op het eerste gezicht. Het is een monument geworden en mag niet gesloopt worden. Het stond er al jaren, toen er moderne hoge huizen omheen gebouwd werden.
Haar bron wil absoluut niet dat er een kans bestaat dat iemand haar volgt. Daarom loopt Issy altijd een uur lang rondjes door de stad. Totdat ze geen zin meer heeft en dan gaat ze naar haar bron. Issy heeft maar twee bronnen in de hele stad die over Irasta willen spreken. Iedereen is bang dat ze worden opgepakt wanneer ze erover spreken. Irasta heerst eigenlijk over de stad, ook al weet nauwelijks iemand er veel over. Eigenlijk zijn haar twee bronnen best wel moedig, want wanneer je in Irasta komt is de kans zo klein dat je er uitkomt. Zelfs als je daar sterft is de kans klein dat je lichaam de muren van de gevangenis verlaat.

Issy duwt een houten zware deur van de tuin die bij het kleine huis hoort open. De tuin die bij het huis hoort is vrij lang. En staat vol. Bom vol. De tegels zijn bedekt met een laagje mos. Wanneer het regent heeft is het er altijd heel glad. Een klein watertje loopt langs het paadje. Er staan allerlei waterplanten in. En wat rietsprieten aan de randen. Een drietal grote bomen zorgen ervoor dat er weinig licht in de tuin komt. Bij de achterdeur van het huis is net genoeg plek voor twee stoelen en een tafel. Verder staat de tuin vol met bloemen en planten. Een kleine privé jungle midden in een drukke stad waar bijna geen groen te vinden is, misschien is hier wel het meeste groen te vinden, van de hele stad.
Issy stapt de woning binnen. Het is donker in de gang die ze binnenstapt. Het kleine huis heeft een lange smalle gang met een de voordeur en de achterdeur erin. Een krakende trap en een kapstok waar je geen jas aan mag hangen. Het is kunst volgens haar bron. Daarnaast zou het instorten door het gewicht en dat is vreselijk zonde van een kapstok dat eigenlijk een kunstobject is. In de gang zijn twee deuren. Eentje gaat naar de keuken waar je maar net kan staan tussen drie keukenkastjes, een fornuis en een koelkast. De andere deur gaat naar de woonkamer. Die ligt aan de achterkant van het huis. In de woonkamer staat een grote groene bank. Voor de ramen hangen knalrode gordijnen. Een klein tafeltje, dat volstaat met alleen maar kaarsen. De kleur van het tafelblad is niet meer te zien door het vele kaarsvet. De bron houdt niet van elektriciteit in de woonkamer. Daarom zijn er alleen kaarsen voor licht. En een bank voor rust. Een paar boeken op elkaar gestapeld in de hoek van de kamer. De woonkamer is er niet om te wonen, zegt haar de bron. Het wordt alleen zo genoemd omdat er in de rest van het huis nog geen kamer zo genoemd was, op het moment dat iemand de naam bedacht.
Issy loopt de krakende trap op. Boven in de gang is het ook donker. Issy loopt langs de vier gesloten kamerdeuren. Daar had haar bron nooit wat over verteld, behalve dat die gesloten moeten blijven. In welke noodsituatie dan ook, die deuren zijn verboden terrein. Die waren niet voor andere ogen dan die van haar bron. Issy loopt de volgende trap op. In totaal kent het huis vier verdiepingen en een groot dakterras. Trap boven trap gebouwd.
Haar bron is meestal boven op het dakterras. Genietend van de sterren en de stilte. Soms vraagt Issy zich af, wat iemand met zoveel ruimte moet als eigenlijk alleen van het dakterras geniet.
Issy komt op het dakterras aan. Haar bron zit er met een glaasje sherry onderuit gezakt in een soort van ligstoel.
‘Ah, Issy, jou heb ik lang niet gesproken.’
Issy glimlacht even terwijl ze naar de bron toe loopt en op de stoel gaat zitten naast de bron.
‘Wil je ook een glaasje heerlijke sherry.’
‘Nee, dank u.’
‘Het is erg lekker, hoor. Tongstrelend,’ glimlacht de bron.
‘Helno wil meer informatie over Irasta,’ zegt Issy na een tijdje.
De bron kijkt naar Issy. Een jonge vrouw met gitzwart haar en licht blauwe ogen. Maar hier in het duister zien ze er donker en mysteries uit, als iemand die alle geheimen van het duister weet.
‘Hmm, tsja. Wat wil hij deze keer weten?’
‘Over het de rangen en een stelsel.’
De bron lacht even.
‘Wat weet hij er van?’
‘Weet ik niet,’ zegt Issy. ‘Maar hij wil Ashanti proberen vrij te krijgen.’
‘Ja, dat was me duidelijk. Ik ben een vrouw weet je. Ik ken mannen. En zoals je die Ashanti omschreef, is het een vrouw waar mannen een moord voordoen.’
‘Ja, zoiets.’
De bron lacht even.
‘Irasta en zijn stelsel. Het is een beetje ingewikkeld. Maar om het makkelijk te maken, je baas kan niets voor haar betekenen.’
‘Hoezo niet?’ vraagt Issy verbaasd.
‘Hij heeft niets met Irasta. Het stelsel, zijn rangen, de gevangene, de regels en het vrijkopen zijn er alleen maar voor werknemers, werkgevers, financiers en het maffiagebeuren. Jouw baas vermoordt, zoekt op en handelt af. Hij smokkelt geen gevangene naar een ander land om ze daar te verkopen. En als hij dat nu opeens zou doen, om haar vrij te krijgen, dan lukt het hem nog niet! Tegen de tijd dat hij mag kiezen, is ze allang dood of doorverkocht.’
Issy zegt niets. Ze denkt na over hoe ze dit aan Helno moet gaan mededelen. Als ze hem dit verteld zal hij waarschijnlijk erg boos worden. Hij niet alleen. Arjon en Mirko ook. Iedereen! Ashanti is iemand die erg gewild is in het bedrijf van Helno. Issy kent Ashanti alleen maar van verhalen en hier en daar een versleten foto.
‘Er zijn twee manieren,’ zegt de bron na een tijdje. ‘Aan je gezicht te zien, moet je een manier hebben. Een mogelijkheid. Een optie, om ook maar het gevoel te hebben dat er een kans is. Een kans die er nu eigenlijk niet is.’
‘Is er dan wel een mogelijkheid?’
‘Ja, er bestaan kleine mogelijkheden, met kleine kansen van slagen. Die zal ik je vertellen,’ zegt haar bron met een glimlachje. ‘Kijk, Irasta is een gemeenschap. Een grote. Je hebt gevangene die als slaven misbruikt en mishandeld worden. Ze moeten werken voor de grote baas die alles opbouwt. In een gewone gevangenis maak je wasknijpers en andere dingen om je tijd te verdoen en om een beetje geld te verdienen. Een beetje geld om te zorgen dat je weer in de maatschappij kunt leven. Dit is in Irasta heel anders. Hier werk je aan dingen die later verkocht worden aan kopers. Die zetten het in de winkel. Goede lichamen, goede krachten. Mensen waar ze wat aan denken te kunnen verdienen verkopen ze door aan het maffiagebeuren. Je bent een slaaf vanaf het moment je er komt, maar je bent pas echt een slaaf als je wordt door verkocht.’
‘Zou Helno die slaaf dan niet kunnen kopen?’ vraagt Issy.
‘Nee, schat. Er is wel een mogelijkheid. Maar hoe wil je er achter komen, wie haar heeft gekocht en waar ze wordt doorverkocht, wanneer je contactloos bent in die wereld? Kijk, het idee wat me te binnenschoot is, dat je baas contact zoekt met een van de mensen die er slaven koopt. Daar kan hij misschien iets mee bereiken. Dat die jouw collega koopt en dat de jouw baas haar overkoopt.’
‘Weet u waar ik die mensen kan vinden?’
‘Schat, je vertelt me toch niet, dat je én informatie moet zoeken én dat je moet uitzoeken bij wie hij moet zijn om een kans te maken om haar terug te krijgen?’
‘Hij spreekt niet met zoveel woorden,’ zegt Issy zacht.
‘Oh, wat een veel eisend. De enige plek waar je kunt zoeken is de bibliotheek in de Afruzistraat. Dat is een beetje een maffiastraat. De poort naar de onderwereld. Je moet er goed oppassen. Maar wie weet vind je daar een stoffig boek vol met mensen. Het zijn oude boeken. De informatie is verouderd. Maar wie weet kom je er iets tegen dat je kan gebruiken.’
‘Dank u wel,’ zegt Issy.
‘Geen dank, hoor. Blijf je weer slapen? Het is een heldere zwoele nacht. Heerlijk om hier op het dakterras te vertoeven. Wie weet zie je nog een hulpvolle vallende ster, die kun jij wel gebruiken.’
‘Graag,’ zegt Issy opgelucht, even was ze bang geweest dat de bron het niet meer zou voorstellen.
‘Weet je zeker dat je geen sherry wilt?’
‘Ja,’ zegt Issy.

Een nieuwe manier

De volgende ochtend is Issy al vroeg wakker. De bron ligt nog in haar stoel te slapen. Issy staat op. Legt een deken over de bron heen. En verlaat het huis, door de tuin die veels te vol staat voor een normale tuin. Issy heeft zich voorgenomen om eerst naar die bibliotheek te gaan. Ze is er al eens geweest. Ooit eens per toeval, maar ze hebben er zoveel boeken, dat Issy er gelijk lid van was geworden. Tegenwoordig komt ze er weinig.

Issy stapt de bibliotheek binnen.
‘Goede morgen, mevrouw,’ zegt een jonge knul achter de toonbank.
‘Goede morgen,’ zegt Issy terug.
Het was een jonge bruine jongen. Met krulletjes haar en donkere ogen. In zijn ene oor had hij een glimmende diamant. Een oude vriend had haar verteld dat het in is. Issy vindt het er vies en niet mooi uitzien. Het is een kwestie van smaak.
Issy kijkt naar de legenda van de bibliotheek. Hier hebben ze werkelijk echt van alles. Kinderboeken, romans, thrillers, informatieboeken en nog een heleboel meer. Issy besluit om naar de informatieboeken te gaan en daar te kijken of ze namenlijsten hebben voor maffia gebeuren.
Issy loopt alle boeken langs maar kan niets vinden. Zuchtend zakt ze op de grond. De jongen die bij toonbank stond komt langs gelopen.
‘Kan ik u helpen,’ vraagt hij beleefd.
‘Ja,’ zegt Issy.
‘Wat zoekt u?’
‘Een namenlijst.’
‘Wat voor mensen moeten erop de lijst staan?’
‘Mensen die in aan mensenhandel doen.’
‘Denkt u dat u dat hier vindt, mevrouw. Het spijt me, maar voor zoiets moet u naar de politie.’
‘Ik zoek iemand van de onderwereld,’ zegt Issy.
De jongen kijkt haar een tijdje twijfelend aan.
‘U gaat er mee naar de politie?’
‘Nee,’ zegt Issy.
‘Erewoord?’
‘Ja.’
‘Bent u lid van deze bibliotheek?’
‘Ja,’ antwoord Issy weer.
‘Goed, in dat geval. Ik vertrouw er op dat u niet naar een politie agent gaat. Ik heb wel zo’n boek. Maar het ligt bij de toonbank.’
Issy volgt de jongen naar de toonbank en leent het boek voor twee weken. Aangezien het boek speciaal is, geldt er een speciale regel. Een regel van één dag uitlenen en niet vier weken.

Issy stapt het gebouw van het bedrijf van Helno binnen. Als ze door de gang loopt komt ze Arjon en Mirko tegen. Ze kijken een beetje kwaad.
‘Waar was je?’ vraagt Mirko.
‘We waren bezorgd weet je dat!’
‘Je zei dat wij je niet zagen,’ zegt Mirko
‘Wilde je soms doordrammen dat we je niet zagen?’ vraagt Arjon een beetje kwaad.
Verschrikt kijkt Issy ze aan. Het boek klemt ze tussen haar armen tegen haar buik aan.
‘N… nee,’ stamelt ze.
‘Waar was je dan?’ vraagt Arjon.
‘Ergens,’ antwoord Issy.
Ze glipt snel langs hen heen.
‘Nee, gôh!’ roept Mirko achter haar aan. ‘Dat hadden we nog niet door!’
Issy haast zich naar het kantoor van een van de meest behulpzame mensen, Spykki. Spykki kijkt verwonderd op als Issy binnen stapt.
‘Wil je me helpen met kopiëren,’ vraagt ze zacht.
‘Wat moet er dan gekopieerd worden?’ vraagt hij.
Issy legt het boek voor hem neer.
‘Alles.’
‘Het hele boek?!’
‘Ja,’ zegt Issy.
‘Goed, ik zal het helemaal voor je kopiëren.’
Issy glimlacht dankbaar.

Een kwartiertje later verlaat ze het gebouw weer, richting de bibliotheek. Daar levert ze het boek weer in. De jongen kijk verrast op als Issy twee minuten voor sluitingstijd het boek terug komt brengen. Hij had het kennelijk niet meer verwacht.
‘Ah, dank u wel. Ik dacht even dat u niet meer terug zou komen.’
Issy glimlacht even. Ze loopt weer terug naar het bedrijf van Helno. Daar had ze een eigen kamer net zoals alle medewerkers, daar woon je en leef je, wanneer je geen opdrachten van Helno hebt. Daar, in haar eigen kamer, gaat ze alles bestuderen tot aan de vergadering. Als ze de namen nog niet heeft uitgevogeld is het nu nog niet zo heel erg, want ze kan dan wel laten zien dat ze er mee bezig is, en dat stelt Helno meer op prijs dan dat hij niets krijgt.

Arjon en Mirko zitten al op hun plaats. De andere aanwezigen ook, als Issy zoals gewoonlijk op het laatste moment binnenstapt. Niemand zegt er iets van. Issy heeft een grote stapel met papier bij haar. Arjon en Mirko kijk haar onderzoekend aan.
‘Zo, jij hebt een papierwerk mee. Wat wil je daar mee doen?’ vraagt Arjon spottend.
Issy duwt haar lippen op elkaar en gaat op haar plaats zitten.
Pas aan het einde van de vergadering went Helno zich tot Issy.
‘Goed, wat heb je gevonden over Irasta?’
‘Buitenstaanders kunnen gevangene niet vrij krijgen.’
‘Wat!’ roept Mirko uit. ‘Maar dan… Ashanti… Dat is onmogelijk!’
‘Alleen met goede contacten, kan het,’ zegt Issy. ‘voordat ze wordt doorverkocht.’
‘Je bedoelt,’ zegt Arjon.
‘Dat ze een slaaf is?’ maakt Mirko de zin af.
Issy antwoord er niet op. Helno kijkt haar een tijdje aan en knikt dan.
‘Waarom is ze daar?’ vraagt Issy zacht.
Mirko en Arjon kijken ze elkaar even aan.
‘Ashanti schaduwde en hield mensen in de gaten. Heel soms ondervroeg en hoorde ze mensen uit, zoals je weet,’ zegt Mirko.
‘De laatste keer moest ze iemand uit Porto Qwert schaduwen. Helno wilde het een en ander duidelijk hebben, over deze persoon,’ zegt Arjon.
‘Hij had door wat Ashanti aan het doen was en heeft het verhaal helemaal omgedraaid,’ zegt Mirko.
‘En ervoor gezorgd dat geen enkele advocaat haar kon helpen, toen hij Irasta inschakelde,’ zegt Arjon.
‘Waar het op neer komt,’ zegt Helno. ‘Mijn beste vrouw die kon schaduwen is betrapt. Veroordeelt met een opgeblazen verhaal, dat ze een huurmoordenaar zou zijn. Ze kreeg er twee jaar voor. Maar de rechter die haar naar Irasta stuurde zei er bij, dat de kans klein was dat ze twee jaar zou uitzitten. Wat daarvoor de reden was, heeft hij niet verteld.’
‘Toen wisten we nog niet, wat Irasta precies was,’ zegt Mirko.
‘We wisten dat het een vreselijke gevangenis was,’ gaat Arjon verder. ‘Maar dat er niemand uitkomt, wisten we niet.’
Issy kijkt stil naar de stapel papier voor haar.
‘Misschien zit er iemand bij die kan helpen,’ zegt ze na een tijdje.
‘Waarschijnlijk wel,’ zegt een van de mensen die bij de vergadering is. ‘Een verouderde lijst is niet up-to-date. De meeste handelaren stoppen niet zomaar. Daar zitten meer mogelijkheden in dan dat we die nu hebben. We kunnen het proberen. Geef de lijst maar aan mij. Ik zal uitzoeken wie we kunnen gebruiken.’
Issy schuift het stapeltje papieren door naar de vrouw die had gesproken. Daarna kijkt ze afwachtend naar Helno.
‘Issy, ik wil dat jij uitzoekt, hoe we bij Irasta komen als bezoekers, desnoods als sollicitanten, duidelijk?’ Issy knikt. ‘Dan is dat geregeld.’

Vroeger

Issy zakt op haar bed in haar kamer neer en laat zich achterover vallen. Ze denkt een tijdje aan de tijd voordat ze op straat kwam. Die tijd was ook een gevangenis. Niet zo erg als Irasta. Maar die tijd was het een ware hel. Nooit mocht er een woord gesproken worden. Spreken is slecht voor een onderkruipsel dat eigenlijk helemaal niet gepland was. Zelfs haar moeder haatte haar. Haar vader, broers en zussen. Ze was het nakomelingetje geweest dat ervoor zorgde dat, de weinige extra’s die er in huis waren naar haar gingen.
Issy had er nooit omgevraagd om die te krijgen. Eerst had ze nog een kamer gehad, maar aangezien iedereen thuis haar haatten en niemand vond dat ze het waard was om een eigen kamer te hebben, kreeg ze een vochtige ruimte met een bed in de kelder. Alle rommel stond er en er was maar één piepklein raampje. Vanuit daar zag je de stoep met duizenden voeten die er dagelijks langs liepen. Issy mocht alleen de kelder uit om te eten. Dan zat ze alleen op de trap de restjes te eten.
Wanneer ze te veel geluid maakte ging haar vader door het lint, want er was altijd wel een broer of zus die haar verklikte. Ze was ondervoed en had altijd blauwe plekken. De enige dag dat iedereen aardig tegen haar was, was wanneer er iemand langs kwam om de gezinssituatie te bekijken. Dan opeens was Issy het lieve kleine zusje dat iedereen altijd al had gewild. Dan was haar kamer opeens weer bij haar oudere zus.
Op een dag was Issy naar buiten geglipt. Ze was alleen thuis geweest en de deur van kelder had een keertje niet op slot gezeten. De avond ervoor was haar moeder door het dak heen gegaan. Issy had de afwas moeten doen en de keuken had na het eten moeten blinken. Maar Issy was pas tien en je kunt van een kind van tien niet verwachten dat ze in een uur een keuken en een afwas helemaal blinkend schoon heeft. Dat ze niet op het keukenkastje klimt om de borden op te ruimen. Dat ze de loodzware prullenbak helemaal in haar eentje naar buiten brengt zonder over de grond te schuiven. Dat was de druppel voor Issy geweest. Toen haar moeder uitgescholden was, had haar vader haar de trap naar de kelder afgesleurd en haar beneden overal geslagen, gestompt en geschopt waar hij haar raken kon. Dus toen Issy met al haar spullen ’s morgens het huis uit stapten, keken vele mensen haar na. Overal zaten blauwe plekken. Ze had geen idee waar ze heen moest. Ze had geen idee, dat er straten waren, met auto’s die heel hard reden en die niet opletten.
Een oude man had haar nog net van straat kunnen trekken toen er een grote dure bak langs scheurde. De oude man had haar meegenomen naar zijn ‘huis’. Hij woonde onder de brug, met heel veel anderen. Issy had warme soep van hem gehad. Ze had een warme deken gekregen, ze mocht tegen de man aanleunen terwijl ze in slaap viel. Het was zo vreemd voor haar om zich zo veilig te voelen bij iemand die ze niet kende.
Issy wilde altijd bij hem blijven wonen. Het kwam dan ook hard aan toen de oude man overleed van ouderdom. Issy was inmiddels zeventien. Een mooie leeftijd om bijna met je leven als zelfstandige te beginnen, maar ondanks ze nu wel wist wat auto’s waren en wat straten betekende, zou ze nooit in de maatschappij kunnen beginnen. Ze kon geen woord lezen, schrijven of spreken. Lezen en schrijven waren haar niet geleerd en spreken was haar verboden. Het was de oude man nooit gelukt om haar te laten spreken. Heel vaak had hij geprobeerd haar te laten spreken. Het enige wat hem gelukt was in de zeven jaar dat ze hem kende, was dat hij haar een keer had laten lachen, maar het was bij één keer gebleven. De oude man dacht uiteindelijk dat ze doof was en had de hoop opgegeven.
In de zeven jaar dat ze bij de oude man was, had ze weinig emoties geuit. Toen de man in een kist lag en er een groot gat in de grond was gegraven, leken er tranen te veel te zijn. De kist lag in het gat en er stonden mensen om heen. Issy zat op een afstandje toe te kijken. De tranen stroomden over haar wangen. Alle tranen die ze had opgespaard omdat niemand die meer mocht zien van haar, want als iemand ze zag, zouden ze haar slaan net zo als haar ouders. Zouden ze gemene dingen zeggen en die wilde Issy niet meer horen en voelen. Maar nu kon Issy de tranen niet meer tegen houden.
Een jongen die ook altijd bij de oude man was geweest kwam naast haar zitten. Hij troostte haar en nam haar mee, naar een het oude metrostelsel. Daar bloeide ze langzaam op. Leerde ze schrijven en lezen. En langzaam, letter voor letter, leerde ze weer spreken. Het was heel vreemd voor Issy om opeens weer te spreken. De mensen in het oude metro stelsel merkten dat Issy vooral tegen de muur praatte als ze dacht dat er niemand was die haar hoorde.
Bij dat metrostelsel, op een van de trappen bij de perrons vonden Arjon en Mirko haar. Eigenlijk hadden ze iemand anders moeten hebben, maar ze was de enige die ze konden vinden. Issy had niet eens tegen gewerkt. Ze wist niet hoe het moest. Helno was een beetje verwonderd geweest, toen Arjon en Mirko terugkwamen met Issy. Zij deden eigenlijk nooit dingen die niet gevraagd waren. Zij zijn perfectionistisch, dat is nog steeds te merken. Altijd als Helno of iemand anders zegt, dat er iets niet goed aan hun is, merk je de volgende keer gelijk dat ze het verbetert hebben.
Zo kwam Issy hier in het bedrijf van Helno terecht. Alleen maar omdat ze van huis was weggelopen, omdat de jongen haar mee had genomen naar het oude metrostelsel en omdat ze liever op de koude trap alleen zat dan bij de rest in het metrostelsel. Nooit was ze er meer terug gekomen. De kansen waren er wel voor geweest, maar na enkele maanden er niet te komen, durfde Issy het niet om er terug te komen.
Van Helno had ze kleding gehad. Echte kleding en geen vodden die ze gewend was om te dragen. Als ze nu naar het metrostelsel ging, ruim vijf jaar later, zullen ze haar waarschijnlijk wegjagen. Waarschijnlijk zullen ze haar niet herkennen. Issy is heel erg veranderd.
Er is wel iemand anders waar ze wel heen kan gaan. Ze heeft daar opeens heel veel behoefte aan. De oude man, die al heel lang dood is en op een kerkhof voor daklozen ligt, daar wil ze heen. Ze wil hem vertellen dat ze hem nog steeds mist, dat ze toch kan praten. Dat ze niet doof is en dat hij waarschijnlijk trots op haar is, als hij ziet wat er van haar geworden is.

Issy staat op, kijkt even naar buiten. Het is al donker. Als ze nu niet gaat, gaat ze morgen niet. En overmorgen ook niet, dan gaat ze nooit. Issy pakt haar jas en rent door de straten naar het kerkhof. Bij het graf zakt ze op haar hurken. Er groeit een hoop onkruid. Mensen die hier liggen worden vergeten. De echte naam van de man heeft Issy nooit geweten. Er staat ook geen naam op de grafsteen. Het graf van de oude man ligt aan de rand van het kerkhof, vlakbij een lantaarnpaal. Issy trekt wat takjes weg, plukt wat onkruid uit het graf. Misschien moet ze het graf eens gaan bijhouden, dat stelt de oude man vast op prijs. Niemand wil toch dat zijn graf verwoekert. Issy glimlacht even.
Begint dan haar verhaal fluisterend te vertellen, over de tijd sinds de dood van de oude man. De wind waait zachtjes door haar haren. Issy heeft het idee, dat de man luistert en glimlacht, wanneer de maan door de wolken verschijnt.

Een geweldige crimineel

Rowan loopt door de gang van zijn nieuwe huis. De laatste keer dat hij heeft gehandeld is de meest succesvolste handel ooit geweest, tot nu toe. Hij heeft er ruim twee miljoen aan over gehouden. Daarvan heeft hij dit mooie huisje gekocht, op een heuvel, met een prachtig dal, vol wijngaarden en kleine huisjes. Dit zal zijn vakantiehuis worden, want het echte huis lag natuurlijk in een grote luxe stad. Deze plek is vol ontspanning en rust.
Met de zaken van Irasta kan hij als hij het goed uitwerkt de beste crimineel worden van de gemeenschap. Dat ziet Rowan wel zitten. Een beetje mensenhandel hier en daar, een goed woordje doen op de vergaderingen van Irasta, af en toe wat les geven aan de nieuwe crimineeltjes en verder lekker luieren, zijn nieuwe vriendin bezig houden en de beste gadgets aanschaffen. Wat wil een mens nog meer als het zo gemakkelijk kan gaan?
Rowan zakt op de veranda neer, heerlijk in de zon met zijn laptop op tafel. Hij moet zijn mail maar eens checken. Terwijl Rowan de laptop opdraagt de mail te checken, gaat zijn mobiel. Rowan haalt hem uit zijn broekzak en bekijkt wil hem belt. Een onbekend nummer.
‘Hmm, wie komt er ongevraagd aan mijn nummer?’ vraagt hij hardop aan zichzelf.
Hij neemt op.
‘Hallo?’ vraagt hij een beetje argwanend.
‘Ja, dat ben ik. Hoe komt u aan mijn nummer?’ vraagt hij geïnteresseerd wanneer hij weet dat er een groot bedrag aan het gesprek hangt.
‘Ah, zo. Ja, klinkt interessant. Nee, momenteel zit ik niet in mijn gewoonlijke huis. Als u de mogelijkheid ziet om morgen in de Pavalijnen te kunnen komen, zal ik daar om vijf uur zijn. Voor een diner met u, ja. Dan kunnen we daar de zaken eens goed doornemen.’
Rowan stopt zijn mobiel weer in zijn zak. Altijd interessant beginnelingen die in de mensenhandel willen werken of mensen die andere mensen uit Irasta willen vrijkopen, door de maffia te gebruiken. Het is altijd leuk om een extra zakcentje er mee te verdienen. De meeste collega’s van Rowans soort, zullen dat nooit doen. Want wat als het een link is naar de politie!?
Een goede crimineel weet wanneer het om politiezaken gaat en wanneer niet. In dit geval, is het niet zo, dat zegt zijn gevoel. Hij heeft gehoord van de vrouw, die in het korte gesprek naar voren was gekomen. Zij zou voorlopig nog in Irasta blijven. Het zal een uitdaging voor Rowan worden om de klus geklaard te krijgen, wanneer hij in zee gaat met de onbekende beller.
Een echte crimineel gaat iedere uitdaging aan, die hij krijgt, zeker wanneer hij de politie en zijn regering kan dwars zitten. Wat haat hij die mensen die tegen zwartwerken zijn, die de prachtige onderwereld willen uitroeien met gassen die je normaal tegen ongedierte of gewassen gebruikt. Als echt crimineel meesterbrein heeft Rowan zijn contacten om elke uitdaging aan te gaan en daarmee de politie uit te dagen.
Het is heerlijk om je zelf op te hemelen, je zelf te zien als de beste. Het aan onbekende te vertellen om zo nog meer centen te verdienen, is nog beter. Deze klus is een stap in de richting om zijn dromen te verwezenlijken, want dan zal hij waarschijnlijk een nieuw huis kunnen kopen. Momenteel is zijn droom om er twaalf te hebben, voor elke maand een ander. Wanneer hem dat is gelukt, wil hij zodanig veel huizen, dat wanneer de politie hem zoekt, hij overal kan schuilen. Uiteindelijk zal de politie het spoort bijster raken. Op die manier zal Rowan de geweldig crimineel zijn die de politie kwijt raakt, wie wil er dan niet met hem samenwerken?
Het voelt gewoon heerlijk om de meest geweldige en meest geliefde crimineel te zijn. De dromen beginnen natuurlijk klein, als eerst een geweldige crimineel daarna natuurlijk, de wereld overheerser. Dat is de droom van elk persoon die slecht is, in de ogen van de overheid natuurlijk. Eigenlijk is er niet echt iets slechts aan. Moet je maar kijken naar de president van het land of de overheid. In feite doen zij hetzelfde alleen dan met een klein gedeelte van de wereld. Wanneer je het goed wil doen, kun je het beter zelf en groots aanpakken. Wanneer je gelukkig wil zijn moet je dromen hebben. Als de dromen verwezenlijkt zijn, dan ben je gelukkig. Daarna bedenk je een nieuwe droom, natuurlijk alleen uitvoerbare dromen.
Rowan denkt een tijdje na over zijn toekomende klus. Hij gaat er geheel vanuit, dat het klusje voor hem is. Met dat in het vooruitzicht, moet hij nodig bedenken wie hij erbij gaat betrekken. Het moeten mensen zijn, die al een tijdje in het vak zitten en ook met Irasta bekend zijn. Irasta houdt niet van dit soort acties. Wanneer iemand wordt doorverkocht, als een vorm van vrijkoop, dan is die persoon vrij! Geen slaaf meer, wat leid tot niet de eeuwige straf die iemand verdiende. Het moeten dus mensen zijn die zwijgen, te vertrouwen zijn en vertrouwd zijn in het wereldje van doorverkoop en vrijkoop.

In totaal kent Rowan maar vijf mensen voor zo’n klus als deze. Dat zijn dan ook de beste vijf die ieder zich toe kan wensen. Ze zwijgen tot het einde, zwijgen als het graf. Hoe je het ook wil noemen, in ondervragingen lijken ze net doven, die nooit eerder hebben gesproken. In het werk zelf zijn ze perfectionistisch. Gedreven en werken op schema nauwkeurig. Er is maar weinig aan ze dat niet goed is. Erg hebberig en dwingend voor veel geld zijn de vijf niet. Alleen staat erkenning op het lijstje van beloning. Erkenning bij deze klus is een zwak punt. Je kunt nou niet bepaald gaan rondbazuinen dat je iemand had geholpen met vrijkoop. Wanneer dat naar buiten komt, is Rowan niet alleen zijn baan kwijt, zijn toekomst is een vluchtweg. Al die huizen die hij wil kopen zijn dan verdampt. Zoals de hitte van de zon dat doet met een druppel water. Bij die gedachte lopen de rillingen over zijn rug. Hij moet een goed alibi hebben voor de vijf, om ze erkenning te geven en om de daad veilig te houden.
Rowan zakt een beetje onderuit en kijkt naar zijn beeldscherm. Twee mailtjes stonden te wachten om geopend te worden. Hij moet zijn vriendin nog bellen, enkele huisjes bekijken in warme gebieden, voor wanneer hij het geld van zijn aankomende klus binnen heeft. Hij heeft nog een hoop te doen. Tijd om na te denken over zijn geweldige zelf-ik en die op te hemelen krijgt hij later nog wel. Het is tijd om zijn klussen te doen en alles uit te stippelen voor zijn aankomende klus. Als er een plan op papier staat zijn de meeste zo overgehaald om hem te kiezen.

Ontmoeting

Helno loopt door de oude straatjes van het stadje, waar hij zo meteen een afspraak heeft met meneer Rowan. De meest geweldige crimineel aller tijden. Helno moet het eerst maar eens zien.
Om vijf uur precies stapt Helno de Pavalijnen binnen. Een ober komt naar hem toegelopen om te vragen of hij gereserveerd heeft. Het restaurant ziet er sjiek uit. Helno verteld dat hij een afspraak heeft met iemand. De ober wijst de weg naar een tafel. Een tafel waar Rowan zit.
Rowan staat op en schudt de hand met Helno.
‘Goede avond, Rowan Reski.’
‘Ingelijks. Steward Helno.’
‘Ik heb alvast een plan voor u uitgestippeld,’ zegt Rowan als ze hebben besteld.
‘Ah, ik benieuwd.’
‘Ik heb de vijf beste mensen bijelkaar gezocht om de vrouw waar het om gaat op te kopen als slaaf. Mensen moeten gekozen worden, voor doorverkoop. Wist u dat?’
‘Nee,’ antwoord Helno. ‘Het is dus niet heel eenvoudig?’
‘Nee, meneer. Absoluut niet. Gelukkig heeft u mij gevonden! Ik help u en dan loopt alles geweldig goed af!’
Helno glimlacht even maar tegelijkertijd walgt hij nu al van de man die zich zo geweldig vindt.
‘Goed mijn plan is als volgt: een van mijn geweldige mannen zorgt er voor dat de vrouw op de doorverkooplijst komt. Dan zal iemand ervoor zorgen dat ik eerste keus heb. Dan breng ik haar naar een markt in Involu. Daar kunt u dan op haar bieden.’
‘Klinkt redelijk. Maar wanneer u haar heeft gekocht is het nog niet zeker dat ik haar kan overkopen. Wat als er een koper voor mij is die het op haar heeft gemunt, dan …’
‘Meneer, begrijp me niet verkeerd,’ onderbreekt Rowan hem, ‘markten in Involu zijn voor een bepaald aantal mensen. Minimaal tien mensen met minimaal vijftien mensen aan koopwaar. Dus wanneer u negen andere mensen uitnodigt om te komen. Kunt u haar zonder problemen kopen.’
‘Maakt het uit wie het zijn?’
‘Nee, zolang ze maar een beetje bieden.’
‘Er worden dus meer mensen verkocht?’
‘Ja, in zekere zin worden alle vijftien gekocht.’
‘Dat is wat minder.’
‘Bij alle andere markten, heeft u geen schijn van kans om haar op te kopen!’
‘Ik wil dan wel die andere veertien uitzoeken, dat begrijpt u zeker wel.’
Rowan kijkt een beetje verbaasd naar Helno.
‘Eh ja. Natuurlijk. Ik had niet anders verwacht. Wanneer we weer afspreken zorg ik er voor dat ik een lijst heb met alle gevangen van dit moment. Ik kan u natuurlijk niet verzekeren dat zij over een maand of wat er nog steeds zijn.’
‘Kunt u me dat dan wel over de persoon in kwestie?’
‘Niet voor de volle 100% maar daar ga ik uiteraard wel voor zorgen.’
‘U begrijpt dat ik meerdere personen aanspreek voor deze klus?’ vraagt Helno.
‘Ik heb er wel aangedacht, maar ik ben er niet druk mee bezig geweest dat u mij niet zal kiezen, aangezien ik al een heel plan op poten heb in een dag.’
‘Een plan bedenken kost niet zoveel tijd. Het uitvoeren wel. Ik wil een waterdicht plan. Zekerheid dat zij er uitkomt en wel bij mij. Dus niet bij een ander!’
‘Ja, natuurlijk. Ik werk nog aan het plan.’
‘Daarnaast heb ik geen weken de tijd. Hoogstens twee weken, om het voor u makkelijker te maken. Maar aan het einde van twee weken wil ik haar naast me hebben. Wanneer u morgen een waterdicht plan schenkt met de personen die u helpen, een lijst van alle gevangene en een kostenplaatje, praten we verder of de klus. Wanneer u dat niet heeft ben ik genoodzaakt om iemand anders te zoeken. U begrijpt misschien niet hoe belangrijk de persoon is.’
‘Ik zou haast denken dat het uw vrouw is, maar met die leeftijd denk ik dat niet.’
‘Het zijn niet uw zaken waarom ik haar vrij wil. Het is uw zaak om er voor te zorgen!’
‘Ja, ja. Natuurlijk,’ zegt Rowan lichtelijk van zijn stuk gebracht door de niet zo makkelijk over te halen man.
‘Ik wijs u er nogmaals op dat ik deze week nog wat mensen opzoek. De beste zoek ik uit. U heeft tot morgen, voor het uitwerken van het plan, duidelijk?’
‘Ja, natuurlijk meneer. Morgen is het in orde!’

Na het eten nemen Rowan en Helno afscheid, spreken af dat ze morgen om de zelfde tijd op de zelfde plek elkaar weer zullen ontmoeten, zodat de plannen beter zijn uitgewerkt. Helno gaat met vraagtekens over Rowan naar huis. De zo geweldige man heeft een plan met de gaten zo groot als huizen. De kans om Ashanti te redden, is minimaal met het ‘geweldige’ plan van Rowan. Maar het is de enige persoon die er gevonden was in de zoektocht naar hulp. Misschien moet hij Issy nog eens vragen wat rond te zoeken. Op de een of andere manier weet ze zoveel over de gevangenis Irasta zonder er geweest te zijn. Haar bronnen zijn uitermate excellent.

Issy

Issy besluit om bij haar andere bron langs te gaan om informatie te krijgen over bezoekrecht en sollicitanten. Het is een man, van in de veertig en heeft een tijdje in Irasta gewerkt.
Issy loopt de oprit op van een grote villa. De man heeft het gemaakt nadat hij met een soort van pensioen is gegaan. Hij kan er uren over vertellen, over de tijd in Irasta. Hij vond het er heerlijk maar is blij met de pensioen.
Wanneer je in Irasta werk ga je met pensioen als je veertig wordt. Jonge mensen hebben dan wel minder ervaring maar als ze klaar gestoomd zijn, zijn ze sterker dan een veertigjarige met ervaring.
Issy drukt op de bel van het grote huis. De deur wordt geopend.
‘Issy! Meisje! Dat is lang geleden! Wat goed om je te zien!’
De man is zo spontaan en vrolijk, ondertussen wanneer hij onschuldig naar je lacht en je vrolijk begroet heeft hij wel meegeholpen aan de slavernij. Ondanks dat voelt Issy zich bij hem wel veilig en is ze bereidt meer te spreken dan anders. Hij is een grote spierbundel met donkere korte haren. Hier en daar een tattoo om te laten zien dat hij heel wat aan kan.
‘Kom toch binnen,’ zegt de man vrolijk. Issy stapt langs hem heen. ‘Wil je iets drinken?’
‘Nee dank je.’
Issy volgt de grote man naar de woonkamer en zakt op een grote hoekbank neer. Elke keer verbaast het Issy dat kamer anders is ingericht. Andere kleuren behang. Nieuwe meubels, alsof hij geen keuze echte kan maken welke stijl het beste bij hem past. Vorige keer was de inrichting oudbollig, nu leek het alsof Issy midden in de gevangenis zelf stond. Met grijze grauwe kleuren, tafels en stoelen van roest vrij staal.
‘Wat brengt je bezoekje hier? Kan ik je ergens mee helpen?’
‘Ja. Een collega zit in de gevangenis.’
‘Echt? In Irasta, bedoel je? Wat voor vreselijks heeft hij of zij gedaan? Of is dat de verkeerde vraag?’ lacht de man.
‘Een opgeblazen verhaal tot huurmoordenaar.’
‘O, dan zit die persoon nog wel even. Van een minimum strafperiode hebben ze daar niet echt gehoord. Daar was je denk ik al van op de hoogte?’
Issy knikt.
‘Hoe snel kun je daar worden aangenomen?’ vraagt Issy
‘Niet.’
Issy kijkt hem vragend aan.
‘Begrijp me niet verkeerd, meisje. Het is per toeval gebeurd dat ik daar kwam. Ik trainde zes keer in de week in de sportschool. Deed een beetje aan boxen. Timmerde aan de weg in de maffia, drugs doorverkoop. Langzaam maar zeker hoorde ik over Irasta. Zoals je weet is het een onbesproken onderwerp in deze stad. Door ouders van vrienden ben ik naar binnen geloodst. Voor goede vrienden heb je altijd wat over, niet waar?’
‘Kan jij helpen?’
‘Ben jij een goede vriend?’ vraagt de man lachend.
Issy kijkt hem twijfelend aan.
‘Andere zouden dapper ja zeggen,’ zegt de man nog steeds lachend. ‘Je baas heeft je opgedragen hier te komen, klopt dat?’ Issy knikt. Dat heeft hij inderdaad, min of meer. ‘En jij bent een goede vriend van mij. Een van de weinige die ik buiten de maffia wereld ken. Ja, meisje, jij bent niet het type dat in de onderwereld past. Daarnaast weet ik hoe fijn je het daar waar je nu woont hebt. Je baas stuurt je vast weg op het moment dat je, je werk niet goed doet.’
‘Niet gelijk,’ zegt Issy. ‘Maar met slecht werk…’
‘Inderdaad. Slecht werk is als je geen antwoorden hebt. Als je weggestuurd wordt, zou dat zonde zijn. Op het moment zit je op de zijlijn van de onderwereld, dat is dichtbij genoeg voor jou. Je hoort niet thuis bij het hete vuur. Ik wil mijn lijntjes wel voor je uit zetten. Met een beetje geluk kan ik de eerst volgende veiling bijwonen, dan kan ik hem of haar opkopen. Vertel eens is het een vrouw of een man?’
‘Het is een vrouw,’ zegt Issy.
‘Hm, zorg maar voor een foto. Ik zal mijn best doen om je op de zijlijn te houden.’
Issy knikt met een glimlach. Het klinkt erg goed. Ze heeft van Helno gehoord dat hij wel iemand heeft gevonden. Maar aan de telefoon had hij een beetje geklonken van kijk mij nou, ik ben geweldig. Helno walgt daar nogal erg van.
‘Goed,’ zegt de man. ‘Dan zie ik je hopelijk snel weer, met een foto. Het is altijd gezellig met jou!’
Issy glimacht. Ze verlaat het huis met een opgetogen gevoel.

Ze haast zich naar het gebouw van Helno. Op haar horloge ziet ze dat ze nooit op tijd kan komen bij de vergadering, dat zou haar niet in dank worden afgenomen.
Zachtjes opent ze de deuren van de vergaderkamer. Iedereen kijkt verstoord op.
‘Issy! Wat zei ik je nou over op tijd komen?’ zegt Helno geïrriteerd. Issy zoekt naar woorden. Bijt even op haar lippen. ‘Ga zitten. Hopelijk heb je een beetje goede informatie.’
Helno wendt zich pas aan het einde van de vergadering naar Issy. Ieder ander in haar positie zou het gelijk over tafel hebben geroepen, Issy niet.
‘Goed, vertel. Hoe komen we binnen in Irasta, als sollicitant of als bezoeker.’
‘Dat is niet mogelijk,’ zegt Issy. Haar gezicht staat vastberaden. ‘Maar er heel veel hoop!’
Haar stem klinkt vrolijk en opgelucht. Iedereen kijkt haar een beetje vreemd aan. Zo had ze nog nooit geklonken. Toch waren een heleboel moment geweest, waarbij zulk gedrag gepast was geweest. Dit moment lijkt niet bepaald gepast, op heel veel hoop kun je niet bouwen.
‘Ga verder,’ zegt Helno, die haar een beetje argwanend aan kijkt.
‘Mijn bron wil ons helpen! Hij is een oud medewerker van Irasta. Hij wil een foto, zodat hij Ashanti op een veiling kan opkopen. Dat betekent dat we haar toch vrij krijgen!’
‘Hoe goed is die bron te vertrouwen?’ vraagt Mirko argwanend.
Issy kijkt hem vragend aan.
‘Is het geen goed nieuws?’ vraagt ze zacht. Alle vreugde is in een klap verdwenen.
‘Als we hem kenden…’ zegt Arjon.
‘…Dan waren we wat vrolijker en hoopvoller…’
‘…Maar in dit geval,’ gaat Arjon verder. ‘Misschien licht hij ons wel op.’
Issy duwt haar lippen op elkaar en zwijgt een lange tijd.
‘Waarom moest ik dan naar mijn bron als jullie hem niet vertrouwen?’
Issy staat op en loopt de kamer uit. Na maanden, nee misschien wel jaren had ze zich eindelijk vrolijk en bruikbaar gevoeld. Dat ze eindelijk iets betekent in plaats van het gevoeld dat ze nergens goed voor is. Dat gevoel wordt gewoon de grond ingedrukt met het feit dat haar bron niet te vertrouwen is. Issy loopt met snelle stappen het gebouw uit. Hoe vaak hadden haar bronnen haar niet geholpen? Iedere keer werd de informatie goed ontvangen. Nu een van haar bronnen voor haar, nee voor hen in het vuur wilde gaan, was die bron opeens onbetrouwbaar. Iemand die Irasta kende als een eigen thuis, iemand die zelfs het vertrouwen van Issy zelf had gewonnen, werd niet vertrouwd door.. door.. Helno en de rest van de werknemers van hem.
Na enkele minuten stevig doorgelopen te hebben, stopt ze met lopen. Neer geslagen bedenkt ze zich, dat ze helemaal niemand heeft waar ze heen kan. Ze sloft langzaam weer verder door de grauwe straten van de stad. Issy duwt haar handen in haar zakken. Wie weet ontslaat Helno haar wel, omdat haar informatie alles behalve bruikbaar of informatie was. Dit sloffen door de stad, zal dan een dagelijks ritueel worden. Omringd door hoge flat gebouwen en gillende sirenes. Mensenmassa’s en het gevaar oude bekende tegen te komen die blij waren van haar af te zijn. Issy rilt bij het idee. Misschien is het tijd om alle regels te vergeten en dat te doen wat niet mag. Met het vooruitzicht alles kwijt te raken, moet er toch dat gevoel zijn geweest dat je geprobeerd hebt er alles voor te geven? Een beetje opgelucht loopt Issy verder.

Een ochtend

Ze kijkt door de tralies van haar gevangenis. Drie maanden, twee weken en zes dagen. Ze zucht even. Haast zou ze gaan denken dat ze haar vergeten zijn, maar als ze de verhalen om haar heen hoort, mag ze blij zijn als ze een van haar oude vrienden spreekt. Ze zakt op haar bed. Leunt tegen de muur. Hoelang duurt het nog voordat ze naar buiten mogen? De lange rijen met gevangenissen ruiken niet bepaald fris. De ramen met tralies kijken uit op de binnenplaats waar nieuwe gevangene binnenkomen. Enkele hebben haar verteld dat ze zich gelukkig mag prijzen met zo'n uitzicht. Anderen hebben alleen maar drie muren en een traliedeur.
Ashanti probeert haar been te strekken, pijnscheuten schieten door haar been heen. Veel van het hele gebeuren kan ze zich niet herinneren. Behalve dat ze scherpe lange spijkers had gezien en gevoeld. Al heel snel was alles zwart voor haar ogen geworden. Ze was wakker geworden in haar bed, hoe ze daar ooit is gekomen weet Ashanti niet. De reden van de straf zoals het genoemd werd, was dat ze niet genoeg doorwerkte. Niet genoeg doorwerkte! Ze had doorgewerkt tot haar vingers waren gaan bloeden. Zelfs al haar mooie lange nagels had ze laten breken, op advies van haar kamergenote.
'Goeie morgûh,' zegt Ollie, terwijl ze over de rand van haar bed kijkt. 'Goed geslapen?'
Ashanti kijkt naar Ollie. Haar korte bruine haren steken alle kanten op.
'Morgen. Nee, en jij?'
'Goed, goed. Je went er wel aan, meis. Hoe is het met je been?'
Ashanti kijkt even naar haar been.
'Hoe weet jij dat?'
'Och, ik weet zoveel. Ik heb het heus wel gezien en gehoord. Je had niet hard genoeg gewerkt, terwijl jij denkt: ik heb mijn nagels verloren en mijn vingers bloeden.'
'En dat is niet hard genoeg?'
'Neuh, niet voor hen. Als het goed genoeg zou zijn, zouden ze niet zo wreed zijn.'
'Oh,’ zucht Ashanti. ‘Ik hoorde gisteren iets over een lijst. Weet jij..'
'Ooooh, de heilige lijst,' grijnst Ollie. 'Als je op die lijst staat, eigenlijk wordt alles erger maar iedereen wil op die lijst.'
Ollie laat zich uit het stapelbed glijden en kijkt Ashanti aan. Haar ogen glinsteren ondanks al haar dagen die ze hier in Irasta al heeft versleten.
'Waarom is die heilig?'
'Als je op die lijst staat,' zegt Ollie, 'dan word je doorverkocht, meis. Kom je bij de particulier, om het zo te zeggen. Niet dat het daar beter kan zijn. Privéslaafje.'
'Wil jij op de lijst?' vraagt Ashanti.
'Jep. Wie niet? De kans op ontsnappen is in een gewoon huis groter dan in een zwaar bewaakte gevangenis.'
De traliehekken schuiven automatisch open. Ollie staat gelijk bij de opening.
'Kom op, meis. Frisse lucht.'
Ollie loopt door de hekken op weg naar de buitenplaats. Ashanti staat op en sloft achter Ollie aan. Ze denkt aan de lijst. Als ze op de lijst weet te komen, kan ze proberen Mirko en Arjon te bellen. Zij zijn meesters in mensen ophalen. Ze glimlacht even. Als zij niet hier komen, dan zorgt zijzelf dat ze hier wegkomt.
'Ben je er eindelijk?' grijnst Ollie.
Ashanti glimlacht naar Ollie.
'Je hebt alle geweldige verhalen net gemist,' zegt Ienke even vrolijk. Ze duwt haar blonde haren uit haar gezicht. Rond haar oog is het nog steeds een beetje beurs. Volgens Ienke werd ze er van verdacht met iemand gepraat te hebben over ontsnappen en omdat ze niet de hoofdpersoon was geweest in de hele verdenking hadden ze haar, naar eigen zeggen, niet zo heel hard aangepakt.
'Oh, vat is samen wat ik gemist heb,' zegt Ashanti.
'Daar doen we hier niet aan hoor,’ grijnst Ollie, 'dan moet je maar doorlopen. Pure tijdverspilling om het te gaan herhalen.'
'Oh, wel tegen nieuwe!' zegt Ienke.
'Nooit iets van gemerkt,' zegt Ollie, 'Jij wel Riva?'
'Ze stelde ons net op de hoogte dat je van de lijst weet,' zegt Riva.
Riva spreekt weinig. Haar stem klinkt vreemd alsof ze haar tong niet goed kan gebruiken. Haar grote bruine ogen hebben hun glans lang geleden verloren. Riva heeft haar donkere haren altijd in een staart. Ollie legt haar hand op de schouder van Riva.
'De heilige lijst, hè schat. Daar waar we allemaal stiekem op willen komen.'
Riva knikt.
'Iedereen ziet het als een gouden uitkomst naar de mogelijkheid om te ontsnappen,' zegt Riva. 'Maar niemand weet hoe je er precies opkomt.'
'Nope, niemand,' zegt Ollie bevestigend.
'Kara weet het,' zegt Riva opeens.
'Hoe weet je dat?' vraagt Ollie.
'Ze heeft een relatie met een van de bewakers, bijna niemand praat daarom met haar. Iedereen is bang dat ze iets doorverteld,' zegt Ienke. 'Riva praat soms met haar. Kara weet echt bijna alles hier.'
'Echt waar? Dat ze dat durft met die gluiperds!' roept Ollie uit.
'Dat wist je wel, Ollie,' zegt Ienke lachend. 'Het is van je voorhoofd af te lezen! En ach, als ze je dan met rust laten, waarom niet? Ik bedoel, ik heb liever geen gebroken been en ik weet wat nog meer.’
'Ja, dan heb je geen respect voor jezelf, hè als je dat doet!' zegt Ollie pinnig.
'Ollie, rustig nou. Ik doe het niet, hoor,' zegt Ienke. 'Heus niet, bah.'
'En jij, Ashanti?'
'Nee, ik ga nog liever dood. Ze stinken en ze zijn niets waard,' bromt Ashanti.
'Zo horen we het graag!' zegt Ollie vrolijk.
'Daarnaast, als ik ooit nog thuis kom, wil ik niet met het gevoel rond lopen dat ik iemand heb bedrogen.'
'Hoop is gevaarlijk hoor. Sommige krijgen er waanbeelden van. Dan denken ze dat hun naam is genoemd. En dan stappen ze uit de rij. Echt heel sneu. Je ziet ze pas drie weken later terug,' zegt Ienke. 'En van wat was is nauwelijks iets over.'
'Met wat littekens meer,' zegt Ollie.
'Wil je naar Kara?' vraagt Riva opeens. 'Als je echt weg wilt komen, is zij je enige uitweg.'
Ashanti knikt.
'Ga je echt proberen weg te komen?' vraagt Ienke verschrikt. 'Het is echt heel gevaarlijk!'
'Ik wil op die lijst komen, dat is alles. Misschien is dan weg komen iets makkelijker,' glimacht Ashanti.
'Je bent gek, echt hoor,’ zegt Ienke in lichtelijk paniek. 'Als ze er achter komen, slaan ze net zo lang en hard ook tot dat je niet meer beweegt!'
'Dat betekent dat je dood bent,' verduidelijkt Ollie. Ze kijkt de buitenplaats over naar de verschillende bewakers, om te inspecteren of ze geen aandacht hebben getrokken.
'En iedereen die er mee te maken heeft, gaat er ook aan!' zegt Ienke angstig.
'Ja, hoe komen ze denk je anders aan zoveel ruimte?' vraagt Ollie
'Ja,' zegt Ienke. 'Dan zijn wij ook weg, want wij gingen met je om en die worden net zo hard gestraft, ook als wij er niets mee te maken hebben.'
'Dus, niet doen! Wij willen wel weg maar niet dood!' zegt Ollie.
'Nieuwelingen komen niet op de lijst, dus het is verdacht,' zegt Ienke. 'Dus dan hoef je het ook niet te proberen. Iedereen heeft het er wel over, maar het zijn verhaaltjes, fabeltjes!' zegt Ienke.
'Riva je brengt haar er niet heen, hoor,' zegt Ollie.
Riva haalt haar schouders op.
'Dan niet,' zegt Riva.
'Kijk het is heel simpel,' zegt Ienke, 'als iemand iets doet, wat niet volgens de regels is, pakken ze iedereen waarmee je omgaat. Ze weten heel goed met wie je omgaat. Ze houden ons echt niet alleen maar in de gaten om ons te vernederen!"
Ashanti knikt. Dat is haar al opgevallen. Ze kijkt net als Ollie de buitenplaats over. Er staan rondom de buitenplaats meer als tien bewakers, met grote geweren. Klaar om te schieten, alles te raken wat hun kogels kunnen halen, zonder pardon of geweten.
'Dan niet via de lijst,' zegt Ashanti schouder ophalend.
'Nee, helemaal niet,' zegt Ollie, 'je kunt er over praten, maar de daden laat je zitten!'
‘Laat haar,' zegt Riva. 'Hoe moet ze langs bewakers komen zonder hulp van onze alwetende informant of zonder Kara.'
'Dat lukt haar niet,' zegt Ollie, de alwetende informatant. 'En ze mag het ook niet, het kan óók onze dood worden!'
'Nee, dat hoeft niet,' zegt Riva.
'Wel waar, zie maar bij..' begint Ollie.
'Zij zijn niet slim! Zij kan jullie ook helpen,' zegt Riva. 'Als zij gaat, dan kunnen jullie met haar mee!'
'En jij dan?' vraagt Ienke bezorgt.
Riva haalt haar schouders op.
‘Zou je ons meenemen?’ vraagt Ienke hoopvol aan Ashanti.
‘Misschien. Als jullie dat durven,’ zegt Ashanti, ‘als ik een manier weet.’
‘De lijst is niet de beste,’ zegt Riva. ‘Zoek een betere weg. Ze zijn er wel, hoor. Alleen slimmeriken vinden ze.’
‘En waarom jij niet?’ vraagt Ollie.
‘Ik moet de nieuwe helpen om het te bedenken. Zij kan het zelf wel,’ zegt Riva.

’s Avonds ligt Ashanti onder de kriebelige deken op het harde matras. Haar vingers doen pijn. De hele dag heeft ze keihard gewerkt. Ollie had haar steeds een glimlach gegeven. Ze had een paar keer een zweep over haar rug voelen glijden. Net zo als de dag ervoor. Maar de dag ervoor had ze het zelf niet gehaald naar bed toe. Nu wel. Nu is ze niet meegenomen. Haar been tintelt een beetje. Riva had wat touw en stof om haar broek gewikkeld. Dan zou het bloeden niet opnieuw beginnen. Riva had haar toe gefluisterd dat dit slechts het begin was. Ze had haar meegenomen naar Kara en zij had haar veel verteld.
Een gemiddelde gevangene zit anderhalf jaar in Irasta. Daarna kom je op de lijst. De lijst is lang niet zo heilig als er wordt vertelt. Op de lijst staan, betekent dat je wordt doorverkocht. Dat kan overal naar toe zijn. Je hebt enkele aardige particulieren. Een zeer klein aantal. Verder heb je particulieren die je als huisslaafje, privéslaafje gebruiken. En natuurlijk de bedrijven. Een goedkope kracht is nooit weggenomen. Ja, je bent duur op het moment dat ze je kopen. Dat geld verdienen ze zo terug. Ze betalen je nooit en ondervoeden je. Je blijft een tijd lang leven hoor, had Kara gezegd, maar niet zoals een gezond mens. Volgens de meeste verhalen heb je het min of meer goed, wanneer je ergens twee jaar zit. Je zit geweldig bij iemand waar je het vijf jaar bij uithoudt. Voor die tijd ben je meestal al dood, want er is, er maar een op de vijftig die echt goed voor je is. Natuurlijk heb je de kans dat die ene je koopt.
Ashanti heeft er van begrepen dat het niet de meest hoopvolle uitweg is. Het is een uitweg die iedereen een keer krijgt na anderhalf jaar hier rond te lopen. De tijd erna wordt nog barmhartiger dan het nu is, als je pech hebt. Privéslaafjes hebben geen rechten en de eigenaar hoeft zich niet voor zijn daden te verantwoorden. Ze weten precies waar ze hun slaafje moeten houden om de wet te onderduiken. Irasta was de broedplaats voor het maffia gebeuren. Al die tijd dat Ashanti in de maffia had gewerkt, was Irasta nooit naar voren gekomen als werkbron. Misschien was het werk wat zij al die tijd had gedaan, lang niet zo maffia-achtig als het had geleken.
Ze zucht even en probeert dan in slaap te komen.

Een tweede gezicht

Grote zware deuren gaan open. Vier mensen in nette pakken stappen een zaal binnen. Ze nemen plaats aan een grote ovale tafel. Ze leggen hun vergaderstukken voor zich neer. Er hangt een opgelegde stilte, waarbij niemand zijn mond durft te openen. De mensen kijken afwachtend naar de deur waardoor ze net zijn binnengekomen.
Een grote zware man stapt na een lange tijd de vergaderzaal binnen. Hij wordt gevolgd door een jong meisje dat plaats neemt in een hoek van de zaal. Ze heeft haar rode haren in een knotje naar achter, de grote bril die ze draagt geeft haar de status van wijsheid. Het hulpje van de grote baas van Irasta. Degene die precies weet wie wat wanneer doet, maar tegelijkertijd net zo vervangbaar als ieder ander die in Irasta werkt. Ze vouwt een laptop open. De grote zware man neemt plaats aan het hoofd van de tafel. Zijn ogen glijden langs de mensen. Hier en daar is een stoel leeg.
'Noteer dat meneer Gassopo en meneer Irronka tijdelijk niet aanwezig kunnen zijn, door omstandigheden.'
Er klinkt een zacht snel getypt uit de hoek waar het meisje zit.
'Noteer dat mevrouw Lowins,' de grote zware man zwijgt even, hij kijkt een tijd lang naar de lege plaatst. 'Waar is mevrouw Lowins?'
'Ze is opgepakt,' zegt een nerveuze kleine man.
'Oh, is dat zo?'
De nerveuze kleine man knikt haastig.
'S.. sinds een week of wat. Ze is in de kelders,' zegt hij. 'Verraadster!'
De grote zware man leunt achterover en vouwt zijn handen over elkaar heen.
'Noteer dat we nog aan mevrouw Lowins’ verraad werken.'
Er klinkt een zacht getik.
'Wanneer komen de heren terug?' vraagt een statige vrouw die een paar stoelen van de grote zware man vandaan zit.
'Snel genoeg. Als het verraad waar is, dan zullen er ratten gevangen moeten worden.'
De statige vrouw glimlacht even.
'Heeft u al gehoord dat Tonnie Lastio een bezoek wil brengen aan de komende veiling?' vraagt de statig vrouw.
De grote zware man werpt een blik naar het meisje dat in de hoek zit.
'Hij heeft een stoel gekregen vooraan,' zegt het meisje, 'hij komt de volgende vergadering ook bijwonen.'
'Dat is mooi,' zegt de statige vrouw.
De grote zware man knikt.
'Mijnheer Pedro, hoe staat het met de nieuwelingen?' vraagt de grote zware man.
'Opstandelingen!' bromt mijnheer Pedro. 'Eerste klas opstandelingen! Maar we krijgen ze wel klein. Ze denken dat ze alles in handen hebben, onze kleine marionetten. Na een week zijn ze gebroken.'
'Er hebben een paar een ontsnappingspoging beraamt,' zegt het meisje in de hoek opeens.
De grote zware man draait zich met opgetrokken wenkbrauw om.
'Wablief?' vraagt mijnheer Pedro.
'Uit de veilingklasse,' zegt het meisje. 'Lewis en Kleine John hebben er een paar klem gereden buiten het terrein. Ze hebben ze meegenomen naar de kelders.'
'Hoeveel?'
'Drie, meneer,' antwoordt het meisje.
De grote zware man knikt.
'Misschien moeten we wat meer beveiliging neerzetten,' stelt de kleine nerveuze man voor. 'Er gaan veel geruchten rond dat er meer ontsnappingspogingen aan gaan komen.'
'Wie verspreid ze?'
'Contacten van ons,' zegt de kleine nerveuze man. 'Degene die hier al jaren naar veilingen komen. Sinds er één poging is gelukt, twijfelen ze aan onze veiligheid.'
'Onze veiligheid, hm,' zegt de grote zware man.
'Is het niet een idee om meer voorbeelden te maken?' vraagt de statige vrouw.
'Dat zal niet helpen,' zegt een vrouw met gitzwarte haren en licht blauwe ogen. Ze ziet er jong uit. 'Als ze geen hulp van buiten af denken te krijgen, gaan zij het zelf proberen. Alleen de sterkste en beste komen hier.'
'Twijfel je aan Irasta?' vraagt de statige vrouw pinnig, 'weet je hoe dat heet? Verraad!'
De vrouw met de gitzwarte haren schudt haar hoofd.
'Dat heet ontwikkeling. Ze leren de regels en leren die ontduiken. Zolang ze samen zijn, zullen ze blijven proberen.'
'Iedereen wordt gestraft voor de daden van anderen,' zegt de kleine nerveuze man.
'Maar zo lang je kunt lopen, kun je wegkomen, nietwaar?' stelt de vrouw.
'Nonsens!' zegt de kleine nerveuze man, 'dit is een sterke vestiging waar de arm van de wet niets mee kan!'
'De wet doet ook niets, de gevangene doen het. En de geruchten zijn niet gewoon geruchten, het gaan daden worden,' zegt de vrouw.
De grote zware man buigt zich naar voren en kijkt naar de vrouw. Ze had altijd geheimzinnige opmerkingen. Tot nu toe had zij altijd gelijk gekregen. Hoe vaak hadden ze haar niet voor verrader aangezien, haar gemarteld en altijd kwam uit wat ze had verteld.
'Vertel,' zegt hij.
'Vertel wat?'
'Over je contacten.'
'U hoeft de krant maar open te slaan,' antwoordt de vrouw kortaf.
'Jij weet dat er een poging aankomt, hulp van buiten af.'
'Misschien.'
'De kelders krijgen het antwoord wel,' sist de statige vrouw.
'Moet ik dat noteren?' vraagt het meisje in de hoek.
'Ja.'
De vrouw met de zwarte haren zwijgt. Haar grote ogen kijken dwars door de grote zware man heen. Zelfs beneden in de kelder zullen ze niet meer informatie krijgen dan zij nu al heeft gegeven.
'De geruchten worden daden, dat is waar je het mee moet doen. Niet meer en niet minder.'
'Verraad,' zegt de statige vrouw, 'wordt bestraft, je zou het ondertussen al wel moeten weten. Vooral na al je kelderherenigingen.'
'Zeg Jullian haar op te halen,' zegt de grote zware man.
Het meisje in de hoek klapt zachtjes haar laptop dicht en verlaat de kamer. Er wordt geen woord gesproken. De vrouw met zwarte haren kijkt naar de mensen aan de tafel.

Na een paar minuten keert het meisje terug. Ze heeft een man bij zich. Zijn gezicht zit vol met littekens. De vrouw met de zwarte haren staat op.
‘Als ik u was zou ik maatregelen treffen nu het nog kan,’ zegt de vrouw voordat ze met de man mee de kamer uitloopt.
Daarna loopt ze met de man mee de kamer uit. De deur valt zachtjes in het slot. Het meisje loopt terug naar de stoel in de hoek en klapt haar laptop weer open. Het blijft nog een tijd stil, maar daarna gaat de vergadering verder.

De foto

Issy klopt op de deur van Arjon. Arjon steekt zijn hoofd om de deur.
‘Issy, wat doe jij hier? Het is super laat!’
‘Heb je een foto?’
‘Een foto? Van wie?’
‘Ashanti.’
‘Wat wil je daar mee doen? Naar die bron?’ Issy knikt. ‘Nou, dacht het niet.’
Issy draait zich om. Sloft de gang verder in. Mirko heeft ook al nee gezegt. Helno ook. Ze stopt haar handen in haar zakken. Zou hij, haar bron, ook zonder foto Ashanti kunnen vinden? Ze heeft niet veel keus. Of ze moet naar haar andere bron, misschien kan die haar meer vertellen?
‘Issy!’ Arjon loopt haar achterna. Issy blijft even staan. ‘Hoe goed ken je die bron?’
‘Nou..’
‘Je kent hem bijna niet. Wat als hij gewoon jou of ons daar wil brengen? Ons daar op sluiten, voor altijd?’
‘Dat weet je toch niet,’ zegt Issy zacht. ‘Waarom gok je het niet?’
‘Omdat het om Ashanti gaat. We willen niet dat de kans die we vastgrijpen een valse kans is!’
‘Maar..’
‘Issy. Laat het gaan. Zoek uit wat Helno vroeg en ga niet met vuur spelen. Dat doen wij wel.’
Issy knikt langzaam. Loopt de gang verder door. Ze hoort dat Arjon naar zijn kamer terug loopt.

Uiteindelijk besluit ze naar haar bron te gaan. Uren loopt ze door de stad. De ochtend schemering komt op. Issy loopt door de tuin heen. Sloft de trappen op naar het dak terras. Haar bron staat met haar rug naar Issy toe.
‘Ik verwachtte je al,’ zegt haar bron. ‘Dit is onze laatste keer.’ Haar bron draait zich om. In de nek van haar bron zitten rode strepen.
‘Kijk, als er mensen er achterkomen dat je dingen tegen de regels van Irasta doet, zullen ze duidelijk maken dat ze het niet tolereren.’
‘Hebben ze je ontdekt?’
‘Ja, min of meer. Maar ik geef je nog één keer hulp, schat. Vertel het eens.’
Haar bron zakt op een van de ligstoelen neer. Issy zakt tegen over haar neer.
‘Ik heb iemand gevonden die wil helpen. Helno vertrouwt het niet. Het is iemand die uit Irasta komt.’
‘En wat wil je van mij? Dit is een van de weinige keren dat ik je niet doorheb.’
‘Hij wil een foto van haar. Maar niemand wil mij er eentje geven.’
‘Je wilt weten of ik je kan vertellen waar je die kan vinden?’
Issy knikt.
‘Omdat dit onze laatste keer is, zal ik je naar een van mijn kamers mee nemen. Kom.’
Issy volgt haar bron naar een van de verboden kamers. Ze blijft in de deur opening staan. Nooit heeft ze naar binnen gemogen. Voor alle muren staan kasten met boeken. Dunne, dikke, kleine en grote boeken.
‘Kom maar.’
Haar bron pakt een boek met een rode kaft uit een kast.
‘Ik ken die dame wel, die jou baas zoekt.’
‘Echt?’
‘Ja. Ik heb bij haar in de klas gezeten. Fenomenaal hoe goed zij is. Iedereen kon jaloers op haar talenten worden. Zeker onder sporten. We hebben een mager contact onderhouden. Een tijdje. Op een gegeven moment schreef ze me, dat het niet meer kon. Ze wilde me niet in gevaar brengen. Ze zei dat het gevaar altijd op de loer lag. Maar met haar baan en met de mijne was het gewoon spelen met vuur. Net zo als ik nu met jou doe.’
De bron bladert door het boek heen.
‘Hier, het is een wat oudere foto. Maar ik denk dat ze er nog wel op lijkt.’
Issy pakt de foto aan.
‘Denk je dat ik hem kan vertrouwen?’
‘Hoe praat hij over Irasta?’
‘Hij vindt het jammer er niet meer te werken maar hij is blij met zijn pensioen.’
‘Ah, jaja. En hij vindt het wel leuk om er nog eens langs te gaan?’
Issy knikt.
‘Hmm, jaja. Zo ken ik er wel meer. Vindt hij dat jij in de maffia een plekje zou kunnen hebben of juist niet?’
‘Hij wil dat ik er niet kom en dat ik hier blijf, omdat ik me hier goed voel.’
‘Je kunt de gok wagen.’
Issy bekijkt een tijdje de foto. Het is precies zoals Arjon en Mirko haar hebben verteld. Alleen een jongere versie van Ashanti.
‘Je moet je alleen wel bedenken, dat wanneer het fout gaat je alles kwijt bent. Wil je met het hete vuur spelen en de kans hebben dat alles verbrand. Niet alle branden kunnen geblust worden. Sommige blijven lang branden.’ Issy knikt. ‘En wanneer het brand, heb je ergens heen te gaan wanneer het vuur te dichtbij komt?’
Issy schudt haar hoofd.
‘Ik vind wel iets,’ zegt ze zacht.
‘Goed, dan. Nog een ding, wat je ook zal tegenkomen vergeet niet dat iedereen een duister verleden kan hebben.’
Issy kijkt niet begrijpend naar haar bron. De vrouw waarmee ze zo vaak op het dakterras had gekeken naar de sterren.
‘Ga je voor altijd weg?’ vraagt Issy.
De vrouw knikt langzaam.
‘Ik heb met vuur gespeeld en een brand gesticht die zelfs naar jou kan leiden.’ De vrouw zwijgt even. ‘Je moet nu gaan.’

Issy loopt door de straten naar haar enige andere bron. Haar handen trillen een beetje. Het is de allereerste keer dat ze iets doet wat ze niet mag doen. Arjon, Mirko en zelfs Helno hebben nee gezegd. Haar bron heeft haar gewaarschuwd over de ravage van het spelen met vuur en over het vuur wat al was aangestoken. Issy gelooft niet in het contact van Helno. Het voelt niet goed. Als jezelf helemaal ophemelt kun je niet zo geweldig zijn. Ze hoopt heel erg dat haar bron haar niet bedriegt. Dat deze overtreding ten goede komt van alles. Als Issy deze gok waagt en het gaat mis, dan is alles voorbij.

Haar bron wil net het huis verlaten als hij Issy opmerkt.
‘Goede morgen Issy!’
‘Ik heb de foto,’ zegt ze zacht.
‘Oh, geef maar!’ zegt de bron. Issy pakt de foto en geeft hem aan de man. Haar handen trillen. ‘Is er iets?’
Issy schudt haar hoofd.
‘Je trilt helemaal.’
‘Het mag niet,’ zegt ze zacht. ‘Ze vertrouwen je niet.’
‘Je zet dus alles op het spel? Meisje, toch.’
‘Ik vertrouw je,’ zegt ze zacht.
‘Dat is aardig van je. Ik zal mijn best voor je doen.’
De bron kijkt haar na terwijl ze weg loopt en kijkt naar de foto. Hij glimlacht even. Het is een wat oudere foto, maar hij weet wel wie ze bedoelt.

Terug | Auteur: -Maaike-