Een moment van onoplettendheid

1
Do you know the real dancer?
I was born to be a dancer


Kaiser Chiefs – Born to be a dancer

Ik lachte; mijn lach vulde de kamer. Hij bleef in elk hoekje hangen naast al het andere gelach wat ik, of anderen, hier geslaakt had. Het was als spinrag, het bleef overal hangen. De kamer ademde leven uit doordat overal emoties hingen. Er was een verschil met spinrag: spinrag poetste je weg uit je leven, met een lach kon dat niet. Dat zou blijven hangen in de hoekjes tot in de eeuwigheid.
Als mensen mijn kamer in zouden stappen, zou iedereen blij worden, geluk tot in elk porie van hun lichaam.
Ik heb weleens gehoord dat mijn lach stralend is als een diamant en dat mensen er blij van worden. Misschien worden deze mensen het ook wel. Blij van mijn lach. Er zijn mensen die meer huilen dan lachen, er zijn mensen die meer lachen dan huilen. Ik hoorde bij de lachende mensen, altijd al zo geweest.
Alleen nu waren er geen mensen die blij van mijn lach werden; ik was alleen in mijn kamer. Straks zouden er mensen pas gelukkig worden.
Ik keek in de spiegel voor me en zag een meisje. Geen meisje dat onzeker of verlegen was, maar een meisje wat zelfverzekerd naar haar spiegelbeeld keek, lachte.
Ik deed de laatste dingen die ik moest doen voor ik wegging met het pakken van het cadeau als kers op de taart. Dat was het laatste. Ik omklemde het kleine pakje, terwijl ik naar beneden liep, langzaam de trap af. Mijn ouders waren niet thuis, ze waren al naar het feest toe. Het verjaardagsfeest van hun kind. Nou ja, eigenlijk was het het kind van mijn moeder, niet van mijn vader. Mijn moeder had Bryan, mijn broer, met een andere man gekregen, maar een jaar later waren ze gescheiden en was zij opnieuw getrouwd met de man die twee jaar later mijn vader kon worden genoemd. Officieel was Bryan mijn halfbroer, maar ik noemde hem nooit ‘mijn halfbroer.’ Dat klonk stom, achterlijk en idioot. Het was gewoon mijn broer en ik was zijn zusje.
Ik trok langzaam mijn schoenen aan en pakte mijn jas. Ik zou mijn jas thuis kunnen laten, het was niet erg elegant, maar ik zou kou vatten. Ongetwijfeld. Op de fiets ’s morgens naar school had ik het ook altijd zo koud.
Het was half november en de temperaturen schommelden tussen de vijf en vijfentien graden overdag en in de avond werd het een graad of vijf hooguit. Ik wilde het risico om ziek te worden, niet lopen. Ongetwijfeld zou er dan een galante jongen zijn die mijn zijn spijkerjasje wel zou willen lenen, maar het was dan altijd een gedoe om het weer terug te geven. Soms was de eigenaar onvindbaar. Daarom hingen er in mijn kast een stuk of vier spijkerjasjes, geen van allen van mij, maar van onbekende jongens waar ik vaak niet eens meer de naam van wist. Ik kon met de fiets gaan, maar dan moest ik vannacht vijftien kilometer terug fietsen. Daar had ik weinig trek in en met mijn ouders zou ik vast niet terug kunnen, die zouden rond een uur of elf terug naar huis gaan. Daar had ik geen zin in. Dan was ik er net een uurtje. Het was nu – ik keek op de klok – halftien en dan moest ik er nog naartoe.
Ik ging met de bus en ik zag later wel of ik bij Bryan kon blijven slapen. Vast wel, Bryan had een enorm appartement met zes slaapkamers in een van de duurste gebouwen in de stad met dakterras. In de avond had je een geweldig uitzicht over de stad. Regelmatig bleef ik bij hem slapen als ik ’s avonds uit geweest was en ik geen zin meer had terug naar huis, bijvoorbeeld als mijn ouders niet mochten weten dat ik pas om zeven uur in de ochtend mijn bed inrolde. Op zich waren mijn ouders niet lastig, ik mocht zo laat thuiskomen als ik wilde, maar als we eens ruzie hadden, gooiden ze zulke dingen voor mijn voeten en daar had ik geen zin in: verwijten krijgen, terwijl ze er eerst zelf mee ingestemd hadden.
Hoe hij precies aan het geld kwam voor het huis, wist ik niet en het interesseerde me ook niet zoveel. Hij had een goede baan bij een bekend ICTbedrijf en het was algemeen bekend dat ICT-ers goed verdienden.
Ik glimlachte nog even naar de spiegel, liep naar de deur, ging naar buiten en deed de deur op slot.

De eerste die ik tegenkwam, toen ik aanbelde, was Bryan. Logisch, het was zijn huis, zijn verjaardag en hij was de gastheer. Hij deed open, zijn gezicht vertoonde een gigantische grijns. “Zusje. Je bent er.”
“Natuurlijk, dacht je dat ik niet zou komen?” vroeg ik lichtelijk verontwaardigd. Als hij dat dacht, kende hij mij niet goed.
“Pap en mam zijn er al een hele tijd. Ik dacht dat je met hun mee zou gaan.”
“Ze wilden niet op me wachten.”
Mijn ouders hadden niet dat uur dat ik nodig had, willen wachten. Ik had boos kunnen zijn, maar zo waren mijn ouders. Ze wilden nooit op iets wachten, zeker niet als zij het als nutteloos beschouwden. Dat was een van de redenen dat Bryan twee jaar geleden op zichzelf was gaan wonen. Natuurlijk had hij het niet zo tegen onze ouders gezegd, maar had hij het ingepakt in de vorm van ergens anders werken. Het was onzin, hij werkte nog steeds in onze stad. Mijn ouders hadden weleens geklaagd dat hij gewoon thuis moest komen wonen, maar hij was teveel gehecht aan zijn vrijheid. Ik vond het niet raar, als ik uit huis weg zou kunnen, zou ik er niet eens over nadenken. Ik zou meteen gaan. Meteen. Op jezelf wonen leek me heerlijk. Heerlijk je eigen dingen doen, geen gezeur van ouders, geen ruzie om nutteloze dingen. Het is wel een nadeel dat je meer moet doen dan je kamer opruimen.
“Herkenbaar,” zei Bryan en hij lachte. “Kom binnen en maak het jezelf gemakkelijk, zusje.” Hij deed een paar stappen aan de kant en ik stapte de ruime hal in. De kapstok was vol met jassen. Ik hing die van mij er ook bij en ging daarna naar de woonkamer. Het merendeel van de mensen was jong en hip, maar er waren uitzonderingen. Hier en daar zaten oudere mensen in groepjes. Ik herkende er niet veel van. Alleen mijn ouders en nog een paar andere familieleden, maar de meeste niet. Mensen hingen in stoelen, een paar mensen hingen op de bank. Door de openstaande schuifdeuren zag ik mensen op het balkon staan en zitten. Ik glimlachte. Zo zouden mijn feestjes later ook moeten zijn. Hip en stijlvol. Een feestje waar iedereen het naar zijn zin had.
Ik was niet het type om zomaar tegen onbekende mensen te gaan praten, dus ik liet me naast een meisje van een jaar of twintig, hoogblond, op de bank zakken. Ze glimlachte naar me en vervolgde het gesprek met het meisje naast haar. Vast vrienden van Bryan. Ik vond ze niet in zijn vriendengroepje passen, omdat de meeste van zijn vrienden jongens waren en sukkels. Het ene meisje was hip en modieus gekleed. Een moderne zwarte bril wankelde op haar neus en haar lange donkere haar hingen in losse krullen naar beneden. Ik was meteen jaloers op haar haren.
Het andere meisje, mijn buurvrouw, was nogal sletterig gekleed. Ze had een ontzettend diepe inkijk in het blousje wat ze droeg en het rokje wat ze droeg, bedekte amper haar billen. Het enige mooie wat ze aan had, waren zwarte schoentjes met hoge hakken. Mijn ogen gingen naar mijn voeten en ik zag voeten in zwarte schoentjes met hoge hakken. Niet dezelfde, maar ze leken er wel op. Mijn lichaam had ik gehuld in een zwarte zijden jurk. De enige mooie jurk die ik had.
Ik probeerde het te volgen, maar het enige waar ik achterkwam, was dat ze het over computers hadden. De technische termen vlogen me om de oren. Ik had geen verstand van computers, ook al had ik er zelf een. Als er iets mis was, riep ik altijd om mijn vader of belde ik Bryan.
“En jij bent?” Een stem drong mijn hoofd in en verschrikt keek ik op. Het hoogblonde meisje was verdwenen en haar gesprekspartner was opgeschoven en zat nu naast mij. Ze had haar hand uitgestoken die ik aarzelend aanpakte.
“Euh…,” stamelde ik, “ik ben Avon.” Ze had vast haar naam al gezegd en ik wilde geen dom figuur slaan, dus ik vroeg niet naar haar naam.
“Avon. Aparte naam. Aparter dan Ischa, in elk geval,” zei ze en het leek of ze een beetje treurig was.
Ze heette vast Ischa.
“Ik vind het anders wel een aparte naam. Ik heb hem nog nooit eerder gehoord, dus veelvoorkomend is hij niet.”
“Voor jongens hoor je hem veel. Ik denk dat mijn ouders twee jongens verwachtten. Mijn zusje heeft ook al een jongensnaam: Alex.”
“Misschien vonden ze het gewoon leuke namen.” Ik hoorde hoe suf het klonk, maar wat moest ik anders zeggen? Ik was niet zo goed in praatjes met vreemden over simpele dingen. Meestal wist ik niet wat ik moest zeggen, behalve dan suffe dingen waarmee ik me volkomen voor gek mee zette en waar ik me voor schaamde. Alleen als ik teveel dronk, dan kon ik dit soort situaties gemakkelijk aan. Dan wel.
Ze lachte. “Dat zal dan wel. Anders hadden ze ons vast wel anders genoemd, denk ik.” Haar stem was smalend met een beetje sarcasme. Ik herkende het toontje wat ik zelf ook weleens gebruikte. “Hoe ken je Bryan eigenlijk? Wat ben je van hem? Een vriendin of zijn vriendin?” Ze glimlachte naar me. Ze was absoluut niet close met Bryan en waarschijnlijk geeneens een vriendin, anders had ze wel geweten wie ik was en dat dat niet zijn vriendin was.
“Familie. Zijn zusje.”
“Aah.” Ik wilde net vragen wat zij dan wel dan niet van hem was, maar ze gaf antwoord zonder dat ik een vraag hoefde te stellen of dat ik een hint moest geven. “Ik ben meegekomen met een vriendin van hem. Hij zei: “Hoe meer zielen, hoe meer vreugd.” En aldus mijn vriendin zijn de feestjes van hem altijd geweldig en heeft hij een geweldig huis. En ze heeft gelijk. Bovendien had ik zin in een feestje. Kom net uit een rotrelatie en die tijd wil ik liever vergeten.” Ik hoefde haar liefdesleven niet te weten. Ik kende haar naam, zij de mijne en verder waren we vreemden voor elkaar. Moesten we het dan over echte privé-dingen gaan hebben? “Wil je wat drinken? Ik ga wat halen.” Ze glimlachte lief naar me. Haar lach was mooi en liet een rechte rij witte tanden zien. “Ik kan ook wel wat voor jou meenemen. Het is toch gratis. Ik houd van gratis drank. Dan kun je zoveel als je wilt drinken.”
Ik knikte. Het was waar. “Doe maar iets zoets, een mixdrankje of iets dergelijks.”
Ze knikte en stond soepel op. Ik was jaloers op haar elegantie zonder dat ze hakken droeg. Ze droeg simpele lage schoenen, maar blijkbaar was zij een van die vrouwen die elegantie gewoon geërfd hebben. Amy en ik konden hier beiden nog een puntje aan zuigen. Amy vond altijd dat ik zo elegant was – logisch als je in het gezelschap verkeerde van Amy - , maar bij Ischa was ik lang niet zo elegant.
Twee minuten later stond ze weer naast me en duwde ze wat in mijn handen. “Passoa Jus.”
“Lekker,” zei ik genietend, nadat ik een paar slokken mijn keel in liet glijden. De eerste slokken alcohol brandden altijd, daarna is het lekker. “Waar waren we?”

Kreunend werd ik wakker in een bed wat niet mijn bed was. Dit bed was veel zachter dan dat van mij en veel groter – tweepersoons.- Een scheut hoofdpijn liet mijn inmiddels rechtopzittende lichaam weer naar achteren in de kussens vallen. Ik wist het zeker. Dit had ik altijd. Ik had teveel gedronken en vast wel weer gênante dingen gedaan. Dat deed ik altijd als ik vijf drankjes teveel op had. Ik was snel dronken. Na een paar drankjes stond ik al te zwalken op mijn benen. Mijn beste vriendin Amy kon er veel beter tegen. Zij stond na tien bier nog steeds rechtop. Ze dronk heel wat jongens – en mannen – onder de tafel. Ze zou beter een jongen kunnen zijn dan een meisje. Ze had weinig meisjesachtige trekken. Ze droeg weinig sieraden, was altijd gehuld in een wijde broek met gympen en droeg veel zwart. Ze haatte winkelen – ik ook -, maar was dol op sporten. Ze gebruikte geen rommel op haar gezicht en ze tutte zich nooit op, maar zag er altijd geweldig uit. De meeste jongens vielen voor haar. Ironisch. Ik deed meer moeite om er goed uit te zien. Amy wilde geen vriendje, ze had geen zin in gezeur, terwijl ik juist wel een vriendje wilde, maar ik kreeg ze niet.
Soms was ik best jaloers op haar. Amy kreeg alles op een blaadje aangeboden, alleen ze nam het niet aan. Ze hoefde nergens voor te werken. Ik moest voor alles keihard werken, het kwam mij nooit aanwaaien. Dan zou ik het meteen aannemen en niet zo dom zijn als Amy. Ze was mijn beste vriendin, maar soms wilde ik haar het liefste haten. Alleen het ging niet. Ik kon haar niet haten. Ze was te lief, te aardig, te enthousiast en te spontaan om haar te haten. Niemand haatte haar. Soms heb je van die mensen. Amy was zo iemand.
Als ik afgewezen was, stond zij voor de deur met lijstjes waarom je beter alleen kunt blijven en met borden vol eten die ik onder haar toezicht op moest eten, omdat ‘ik anders zou vermageren en lelijk worden.’ Het waren haar woorden.
Ik keek naar mijn arm en stopte hem weer onder de deken waar het warm, lekker warm, was. Mijn eerste gedachte was ‘verder slapen’, maar toen besefte ik dat er iets niet klopte aan mijn arm en keek er wat beter naar. Op mijn linkerarm zat een behoorlijke zwarte – of donkere – plek waar ik niet veel in zag. Zij was het geweest. Zij had het gedaan. Alles viel op zijn plaats. Zij had de donkere plek veroorzaakt, ik lag in een goddelijk bed van Bryan.

“Steek je hand en arm uit. Ik ga je lichaamsversiering geven.” Ze lachte hardop en haalde een watervaste stift uit haar tas die naast haar stond en hield hem voor mijn neus. Ik lachte nog harder, probeerde haar te overstemmen. Normaal zou ik niet willen dat mensen op mijn lichaam tekenden met watervaste stift, maar nu kon het me niets schelen. Ik had zoveel gedronken dat het me niets kon schelen. Ze maakte de stift open, klemde de dop tussen haar tanden en begon op mijn arm te tekenen, giechelend. Ik keek toe hoe de stift iets op mijn arm tekende wat ik niet snapte. Het kietelde waar we weer allebei om moesten lachen. De wereld leek alleen uit ons tweeën bestaan. Het was geweldig. Ik voelde me helemaal blij. Nog nooit had ik me zo gevoeld wanneer ik dronken was. Meestal lag ik kotsend in een hoekje van de kamer en kwam Amy of Bryan me redden, maar nu was het niet nodig. Bovendien was Amy er niet eens, die had een familieweekend of iets dergelijks. Anders was ze er wel geweest en misschien had ze dan wijze woorden gesproken dat ik niet zoveel moest drinken, omdat ik er slecht tegen kon. Niet dat ik vaak naar haar luisterde, maar zo af en toe wel. Dan had ze weleens wijze woorden.
“Nu ga ik mijn nummer op je andere arm zetten,” giechelde ze, “dan kun je me bellen wanneer je maar wilt.”
“Dan zet ik mijn telefoonnummer op jouw arm,” zei ik en ik keek haar lachend aan.

Het was haar telefoonnummer. Ik hield mijn hoofd schuin, maar ik kon er geen cijfers van maken. Voor mij was het enkel een zwarte vlek op mijn arm die er voorlopig niet af zou gaan. Een soort tijdelijke tatoeage.
Ik gaapte, hees me omhoog – de hoofdpijn negeerde ik gewoon – en keek rond. Ik had de kamer die ik altijd had wanneer ik hier sliep.
De witte muren waren net zo wit als anders, het bed was zwart en een groot zwart object in de kamer. Samen met de kast en het bureau waren het de enige – zwarte – meubels in de kamer. Aan de kast hing een witte badjas. Alles in Bryan’s huis leek bij elkaar te passen. De smetteloze witte vloer in het hele huis, de witte muren, de zwarte meubels.
Dat was op het moment zowat vaker dan thuis dat ik hier sliep. Er lagen hier heel wat spullen en het begon langzaam op mijn kamer te lijken. Alleen thuis was de rommel veel en veel erger. Zeker sinds mijn moeder mijn kamer links liet liggen, omdat het er zo’n zooi was. Ik liet rustig servies beschimmelen. Zelfs de jongens die ik kende – en Amy – waren niet zo erg. De jongens – en Amy – die ik kende, waren eigenlijk heel schoon. Niet dat ik zoveel jongens kende. Slechts een paar.
Ik zag een zwarte string op de grond liggen. Hij leek op een van die van mij. Ik keek ernaar. Ik gooide mijn ondergoed altijd meteen in de wasmand. Mijn ogen gingen naar de hoek. Hier stond geen wasmand in de hoek. Daarom had ik hem dus op de grond gegooid.
Ik kon haar niet terugbellen, ik had haar telefoonnummer niet meer. Zij had wel dat van mij, dus zij moest maar bellen. Het was niet anders. Waarschijnlijk was ze wat te dronken geweest om het nummer goed op te schrijven.
“Lekker geslapen?” Bryan kwam mijn kamer in en hij gooide het raam open. Ik kroop snel onder het dekbed. Ook al was het mijn broer, hij hoefde me niet in mijn nakie te zien. Ik knikte, maar Bryan stond uit het raam te kijken, dus hij zag niet dat ik knikte.
“Ja,” zei ik en ik hoorde meteen dat mijn stem hees was, te hees. Ik had te hard geschreeuwd gisteren en vandaag moest ik het bekopen. “Wat heb ik allemaal voor beschamende dingen gedaan, Bryan?” Wilde ik het wel weten? Wilde ik weten wat ik allemaal uitgevoerd had of wilde ik het niet weten?
“Het viel wel mee dit keer. Je hebt je niet extreem slecht gedragen. Alleen een beetje teveel geschreeuwd. Trouwens, er zijn nog drie anderen blijven slapen, dus schrik niet als je in de keuken andere mensen behalve mij aantreft.”
“Is goed.”
Mijn geheugen aan gisteren was een groot zwart meer, maar hier en daar lagen er eilandjes in van gebeurtenissen die ik nog wist. Zoals met die stift. Maar het meeste was weggezakt. Zoals mijn gênante acties, die zakten altijd weg. Alleen meestal herinnerden mensen me er wel aan wat ik uitgevoerd had. Daarom vroeg ik eigenlijk altijd aan de personen (meestal Amy of Bryan) die erbij geweest waren, hoe erg ik me misdragen had, zodat ik niet voor verrassingen kwam te staan.
Ineens besefte ik dat ik niet wist waar mijn tas met spullen was gebleven. Gisteren had ik hem naast de bank gezet, maar na de alcohol was ik mijn spullen uit het oog verloren. Dat gebeurde altijd. Als ik dronken was, dacht ik niet meer aan mijn spullen.
“Bryanwaarhebjijmijntasenjasgelaten?” stamelde ik schor zonder tussenpozen, terwijl ik de pijn in mijn droge keel probeerde te negeren. Als ik steeds moest pauzeren, zou ik slikken en dat deed zeer.
Hij maakte zijn blik los van buiten en keek een paar seconden naar me voor hij antwoord gaf. “Die heb ik in een hoekje van het bureau gezet. En je jas hangt aan de kapstok.” Hij wees naar het bureau en ik zag mijn tasje staan. Gelukkig. Ik had weleens gehad dat ik in een dronken bui bestolen was en toen was ik al mijn geld kwijt en mijn paspoort en mijn mobiel.
Bryan bleef nog even uit het raam staan kijken en daarna verdween hij uit de kamer. Ik liet me uit bed zakken en liep naar het bureau toe, terwijl ik de koude vloer probeerde te negeren. Ik rommelde in mijn tasje op zoek naar mijn mobiel. Alleen ik voelde het kleine voorwerp nergens. Paniek begon zich al in mijn lichaam te verzamelen, maar ik moest logisch denken. Ik gooide mijn tasje leeg op het bureau. Er hadden drie dingen ingezeten. Een portemonnee, een agenda en een mobiel. De eerste twee vielen op het bureau, maar mijn mobiel niet. Waar was mijn mobiel? Kende Bryan criminelen? Wie had hem gejat? Of was het een misverstand? Ik had gisteren niets aangehad met zakken – in mijn jurkje zaten geen zakken - dus daar kon ik hem niet ingestopt hebben. Bryan kende criminelen. Het moest wel. Alleen wie?

2

Have you ever noticed
That i’m not acting as i used to do before?
Have you ever wondered
Why i always keep on coming back for more?

4 Strings – Diving

Ik trok de ochtendjas aan die aan de kast hing, de string op de grond schoof ik over mijn benen heen naar boven en keek toen onder het bed of mijn pantoffels er nog stonden. Ik had ze hier ooit een keer laten liggen en Bryan had ze nooit weggegooid en ik had ze nooit mee naar huis genomen. Thuis had ik nog een paar of drie liggen. Ik was niet echt een pantoffelfan. Ik kreeg er altijd te snel warme voeten in. Nu kwamen ze wel goed van pas.
Het liefst zou ik gaan gillen, keihard, maar ik deed het niet. Misschien omdat er meer mensen – vreemden – in huis waren dan alleen Bryan. Als hij alleen geweest was, zou ik wel gegild hebben. Nu hield ik me kalm – ik deed voor de buitenwereld of ik geweldig was – en liep rustig naar de keuken.
Daar zaten een donkere jongen die extreem dun was, een lange jongen met blond haar en een opvallend litteken op zijn hand – ik zag het toen hij het pak cornflakes pakte – en een blond meisje met een iets te kort jurkje en een iets te lieve glimlach. Het was een type waaraan ik en Amy allebei een hekel hadden: een aanstellerig tutje die bang was dat haar nagels braken. En een type die het hele hockeyteam afgewerkt had. Toen besefte ik me dat ik ook iets te korts aan had. Zag ik er nu net zo uit als het meisje naast me? Dan was ik knap; die meisjes waren vaak de knapste. Meestal was dat jammer, maar misschien nu niet.
Bryan zat aan het hoofd van de tafel en las op zijn gemak de krant, terwijl zijn hand afwisselend naar zijn bord met toast en zijn kop koffie – sinds wanneer dronk Bryan koffie? – ging.
“Hai,” zei ik en glimlachte.
Iedereen keek op toen ik naast het blonde sletje ging zitten. Ze glimlachte terug. De donkere jongen nam me heel snel op – ineens was de ochtendjas net over mijn billen toch iets te kort, ik had er immers niets meer onder dan een kanten string – en de blonde jongen keek niet eens. Hij vond zijn toast boeiender.
Stomme barbiepop genaamd Dana.
“Hai zusje. Toast?” zei Bryan, terwijl hij me een bord aangaf en een geroosterde boterham. “Dit zijn Rick – de donkere jongen -, Dana – het blonde sletje – en Jason – de lange blonde jongen -.”
Ik viel gulzig aan, vergetend waarom ik eigenlijk uit mijn bed gekomen was. Het was stil. Iedereen zweeg. Jason had zo te zien een kater, Rick was verdiept in een deel van de krant en Dana bestudeerde haar nagels.
“Bryan, ik ben mijn mobiel kwijt.” Ik brak de stilte in tweeën. Dana en Jason keken me boos aan, Rick reageerde niet eens – nu zag ik dat hij witte oordopjes in had – en Bryan liet zijn krant zakken. “Hij is gejat.”
“Gestolen?” herhaalde Bryan. Barbiepop maakte een geluid wat op ‘oooooh’ leek, maar ik negeerde het. Ik knikte heftig. “Dus jij wilt zeggen dat onder de mensen die gister op het feest waren een dief aanwezig was? Noem jij mijn vrienden dieven?” Ik zag woede in zijn ogen vlammen. Hij was eigenlijk nooit boos en de weinige keren was het zeldzaam geweest.
“Nee, dát zeg ik niet. Ik zeg dat hij gejat is, niet dat hij gejat is door jouw vrienden.”
“Er waren alleen bekenden op mijn feestje.”
“Nietwaar. Ik heb mensen gesproken die via via binnengekomen waren. Misschien heeft iemand van die mensen het gedaan.”
“Of misschien ben jij hem zelf wel kwijt geraakt,” zei Bryan. De toon in zijn stem was nog steeds fel. De anderen volgden ons gesprek alsof het een tenniswedstrijd was. “Ik weet hoe jij met je spullen omgaat, dus ga nou niet meteen iemand beschuldigen.”
“Dat doe ik niet, Bryan, maar ik heb mijn telefoon nodig.”
“Dan had je hem niet kwijt moeten maken.”
“Dat heb ik niet gedaan!” riep ik uit, mijn stem was hoog en schel. Hoe kon Bryan nou zoiets zeggen? Hij was mijn broer en hij wist dondersgoed dat ik niet zo’n chaoot was die haar telefoon om de haverklap verloor. Ik was hem nog nooit kwijt geweest. Ja, een keer, maar toen bleek hij bij Amy te liggen.
“Misschien heb je dat toch wel gedaan,” zei Jason ineens. Kwaad keek ik hem aan. Hij moest zich nergens mee bemoeien. “Je zusje is goed in kwaad kijken.”
“Ze is ook goed in kwaad zijn,” snauwde ik. Ik was kwaad. Woedend.
Ik wist zeker dat Bryan anders gereageerd zou hebben als Rick, meneer de bemoeial en barbiepop hier niet gezeten hadden. Dan zou hij me helpen zoeken. Nu wilde hij stoer doen.
Ik smeet mijn toast op mijn bord en liep de keuken uit. Ik moest mijn mobiel terug. Ik moest mijn vrienden inlichten. Ik moest zoveel. Ik moest die stomme Dana op haar hoofd slaan en Jason vermoorden.

Ik liep langs de verschillende verdiepingen naar beneden. Voorzichtig. Met hakken was ik altijd bang om te vallen. Ik droeg ze niet supervaak. Nog steeds in mijn nette jurkje en hoge hakken. Het viel nu uit de toon, zo vroeg in de morgen; half twaalf. Dat was niet vroeg, maar voor mij wel. Voor mij als ik teveel gedronken had. Ik zou terug moeten met een bonkend hoofd en de bus.
Als er iets was, belde ik Amy. Er was nu wat. Er was heel veel, maar ik kon haar niet bellen. Ik had ruzie met Bryan, echte ruzie. Ik had me aangekleed, mijn jas en tas gepakt en was weggelopen zonder iets te zeggen. Ik hoopte dat Bryan me terug zou roepen, maar het bleef stil in het dure trappenhuis. Veel te stil. De echo van de stilte werkte op mijn zenuwen. Niemand die me dus miste. Op deze momenten had ik behoefte aan een knuffel, aan een vriendje die me knuffelde en me geweldig vond. Ik had geen vriendje; slechts bewonderaars. Mijn laatste vriendje had het uitgemaakt via sms. Een halfjaar geleden – ik was stapel op die jongen geweest - en ik wilde geen nieuwe relaties meer. Ik had een vriendin die me ook kon knuffelen en die me ook geweldig vond. Relaties waren niet voor eeuwig, vriendschappen wel.
Voor het eerst kon ik Amy niet bellen. Nee, niet voor het eerst. We hadden in de vier jaar dat we elkaar kenden, twee keer ruzie gehad. Twee keer heel erg en duizend keer veel minder erg. De langste ruzie duurde een halfjaar. Ze negeerde me op school, negeerde mijn telefoontjes, e-mails, brieven, alles. Ze ging om met de sletten van de school, veranderde van jongensmeisje in slet en uiteindelijk weer terug. Waarom ze het deed weet ik nog steeds niet. Misschien had ze een identiteitscrisis. In die tijd was mijn band met Bryan ontstaan. Daarvoor hadden we altijd ruzie. Vanaf dat moment waren we vrienden geworden. Gelukkig kan Bryan het prima met Amy vinden en ik met zijn vrienden. Nou ja, de meeste mensen.
Ik slikte een snik in – en toch miste ik een vriendje.-

In de bus zat ik achterin. Mijn schoenen deden pijn en mijn jurkje kroop hinderlijk omhoog. Ik wilde de man voor me niet laten zien wat voor ondergoed ik aan had - het ging hem niet aan – en ik probeerde mijn jurkje langer te maken, maar het was hopeloos, tevergeefs. Hij werd niet langer, leek eerder te krimpen.
Ik had geen strippenkaart bij me gehad, dus ik moest betalen. Gelukkig voor mij had ik twee euro in mijn tasje gevonden. Anders had ik niet eens naar huis gekund. Dan had ik mezelf nat moeten laten regenen; mijn jurkje zou dan nat en doorweekt zijn en iedereen zou er zo doorheen kunnen kijken. Dan zou ik beter in mijn bh en string kunnen gaan lopen.
Verdomde shitzooi.
Ik hield mijn tasje op schoot en keek naar buiten. Ik hield op om mijn jurkje te rekken; het had geen zin.
Verdomme. Ik draag dit jurkje nooit meer.
Waar een paar tellen geleden nattigheid heerste, verwarmde de zon de boel voor een nieuwe regenbui. Ik staarde nog steeds uit het raam. De man verdween, een vrouw kwam voor hem in zijn plaats tegenover me zitten. Ze was klein, dik en lelijk in haar grijze broek en bruine trui. Naast haar zat een jongen met een lippiercing. Zijn kleren en zijn haar was dezelfde kleur, zwart. Hij keek te nors, de vrouw te blij.
Te is nooit goed.
Ik negeerde haar. Ik wilde Amy bellen. Ik wilde nog liever haar bellen dan chocolade eten. Ik was een ervaring rijker: ruzie met Bryan. Ik was niet dol op ervaringen, ik spaarde ze niet zoals sommige meisjes. Sommige meisjes hadden alleen seks omdat ze seks wilden, omdat iedereen het deed. Ervaringspaarders. Ik deed niet aan het sparen van ervaringen en ook niet aan zegeltjes van de Albert Heijn of stomme bolletjes met ogen, voeten en voelsprieten.
“Pardon, u moet er hier uit.” De buschauffeur stond voor me. De mevrouw tegenover me was weg. De jongen ook. Iedereen. Het eindpunt. Ik woonde bij het eindpunt in de buurt. Ik moest altijd mee tot het einde. Amy stapte vier haltes eerder uit – een kwartiertje alleen.-
Ik knikte en stond op; traag als een oude mevrouw. Mijn jurkje leek nog korter te zijn dan eerst.
Ik liep traag naar huis, terwijl ik in stilte bad dat mijn ouders niet thuis zouden zijn. Ze zouden mijn jurkje te kort vinden en mijn hakken te hoog. Ineens besefte ik dat ze me allang gezien hadden in dit jurkje; gisterenavond natuurlijk. Ik keek even naar beneden. Het jurkje was niet nat; het regende nog niet. De wolken boven me maakten dat ik me ging haasten voor zover dat mogelijk is op hakken.
Thuis ging ik Amy bellen. Meteen.
Ik liep langs huizen, huizen die mijn straat begonnen te vormen en uiteindelijk kwam ik bij mijn huis. Het was het laatste huis in de straat; daarachter lag het bos. Als kinderen van twaalf, dertien hebben ik en Amy er veel gespeeld. Onze klasgenoten mochten niet weten dat we nog regelmatig hutten bouwden en buiten speelden. Op school deden we stoer met jongens en make up – ik, Amy niet. Zij heeft zich nooit anders voorgedaan – en thuis bouwden we hutten in de modder.
We lieten er Beaulie, Amy’s oude hond die een paar jaar geleden overleden was, uit. We lieten er mijn hond Dropchocolat uit. Dat deed ik nog steeds. Mijn hond er uitlaten. Alleen bijna nooit meer samen met Amy en al helemaal nooit meer met Era. Era. Ik slikte toen ik aan haar dacht. Era. Hoelang is het geleden dat ik voor het laatst aan haar dacht? Te lang. Een jaar geleden dacht ik elk moment van de dag aan haar, toen was alles nog vers. Nu waren de wonden geheeld en ik wilde oude wonden niet openrijten. Daarom dacht ik niet aan haar. Een jaar lang negeerde ik haar wanneer ze in mijn gedachten opdook. Ik moest wel. Ik wilde niet praten, ik wilde haar gewoon vergeten. Amy deed heel anders. Zij wilde juist wel praten. Zij wilde praten tot mijn oren eraf zouden vallen. Ik niet. Ik wilde niet gissen naar de redenen, het antwoord zou er nooit zijn. Nooit.


De telefoon ging, hij sneed door de stilte in huis. Ik was alleen thuis. Mijn ouders waren aan het werk en Bryan was een paar dagen aan het kamperen. Toen hij had gezegd dat hij ging kamperen, waren ik en mijn vader in lachen uitgebarsten. Kamperen was niets voor Bryan. We waren benieuwd hoelang hij het vol zou houden. Mijn vader gokte op vier dagen, ik op twee dagen. We hadden gewed. De verliezer moest een maand afwassen.
De telefoon rinkelde weer. Het was vast Bryan met de vraag of we hem wilden komen halen. Grinnikend deed ik de bladwijzer in mijn boek, legde het op tafel en liep naar de telefoon.
“Met Avon.” Sommige mensen vonden het leuk om een d aan mijn naam te plakken waardoor je avond kreeg. Ik vond het niet leuk.
“Avon, met Lotte.” Lotte was het zusje van Era. Ik trok mijn wenkbrauwen op. Waarom zou ze mij bellen? Ik praatte al amper met haar als ik bij Era thuis was.
“Ja?”
“Ik moet…je wat vertellen,” stamelde het meisje aan de andere kant van de lijn. Era. Er was wat met Era. Daarom belde ze. Zou het erg zijn?
“Wat is er met Era?”Ik hoorde mijn stem gejaagd klinken. Aan de andere kant hoorde ik zacht gesnik. “Lotte?”
“Avon…ze heeft zelfmoord gepleegd. Ik vond haar. In de badkamer. Vanmorgen. Ze heeft zichzelf verdronken in bad.”
Ik liet de hoorn uit mijn handen vallen. Het was erger dan ik ooit had kunnen denken. In mijn dromen gingen mensen dood, maar niet door iets wat ze zelf gedaan hadden.

De meest zwarte dag uit mijn leven. Het verliezen van Era was het ergste. Het allerergste. Ik ben heel lang bang geweest dat ik Amy ook zo verliezen, maar het is nog nooit gebeurd en hopelijk zou het ook niet gaan gebeuren.

Het eerste wat ik deed toen ik binnenkwam, was naar de telefoon lopen. De huistelefoon hing in de gang en vroeger – toen ik nog geen mobiel had – was ik er blij om. Zo kon ik ongestoord met Amy bellen en over allerlei gevoelige zaken praten die mijn ouders niet mochten horen.
“Je hebt heel wat gemist!” was het eerste wat ze gilde toen ze opnam. Daarna lachte ze. Ik begon het snoer van de telefoon om mijn pols te draaien. Geweldig. Ik wilde altijd al horen dat ik wat gemist had. Niet dus. Ik wilde juist horen dat haar familieweekend vreselijk was geweest en dat ze naar huis terugverlangde, naar mij. Ik wilde alles meemaken zolang ik nog jong was. Ik kon Amy wel slaan. Ze had het groene monster in me wakker gemaakt.
“Jij ook,” gromde ik, terwijl ik mijn jaloezie probeerde te onderdrukken. Ik moest enthousiast klinkt, het moest. “Bryan’s feestje was ge-wel-dig.”
“Jammer dat ik er niet bij kon zijn.” Er klonk spijt door in haar stem en ik voelde me blij. Blij omdat ik spijt in een andere stem hoorde.
Misselijke trut.
“Ja, vond ik ook heel jammer. Mijn mobiel is gejat en ik heb ruzie met mijn broer. Dat waren de dieptepunten van dit feest.”
“Waarom…dat?”
“Die ruzie of dat mijn mobiel gejat is? Hoe moet ik weten waarom mijn mobiel gestolen is? Misschien omdat hij mooi is of geweldig. Misschien had de dief geld nodig. Wie weet was het een junk.”
“Waarom heb je ruzie met Bryan?”
“Ik beschuldigde zijn vrienden. Ik zei dat een van hen een dief is, mijn mobiel is gestolen op zijn feest. Hij weigerde me te geloven en noemde me een chaoot. Ik ben geen chaoot. Ik sprak de waarheid. Iemand op dat feest heeft mijn telefoon meegenomen met mijn nummers, met mijn smsjes. Mijn eigendommen. Er stonden berichtjes in die niet iedereen hoeft te lezen -”
“Die moet je wissen.”
“Ik weet het, maar jij weet dat ik het nooit doe. Dat weet je.”
“Was de kater dit keer geen probleem of heb je je ingehouden?”
“Ik weet niet meer hoeveel ik gedronken heb; ik weet wel dat ik ’s morgens hoofdpijn had.”
“Stommerd. Je moet niet drinken.”
Het bleef even stil. Amy zweeg; ik zweeg. Ik had geen zin in nog meer verwijten. Ik had Amy niet moeten bellen; ze reageerde altijd zo bij iets als dit. Ik had er geen zin meer in.
“Ik moet ophangen.”
“Doei.”
Ik hing de telefoon terug op de haak en wilde net de gang uitlopen toen ik hem hoorde rinkelen. Amy?
Verbaasd pakte ik hem op.
“Met Avon.”
“Avon. Met Ischa, weet je wel. Gisterenavond was ik op het feest van Bryan.” Had ik mijn huisnummer opgeschreven? Was ik zo in de war geweest? “Ik wilde graag met je afspreken.”
“Is goed. Wanneer?”
“Om een uur of drie in koffiehuis ‘De Pruttelpot? Dan zie ik je daar.”
Zonder dat ik er iets tegenin kon brengen, had ze al opgehangen.

3

Life can be so cruel
Don't it astound you?
So when nothing seems too certain or safe
Let it burn through you
You can keep it pure on the inside

Garbage – Run baby run

Ik stapte naar binnen. Dit keer werd ik niet raar aangekeken vanwege mijn outfit; hij was standaard, misschien zelfs saai te noemen. Een spijkerbroek, gympen en een simpel T-shirt. Het T-shirt waar mijn ex-vriendje zo dol op was geweest. Waarom? Om een mannenreden die iedereen die een man kende, zou kunnen raden: mijn tieten leken er groter in. Een typische mannengedachte was dat. Ik vond ze er niet groter of kleiner in.
Mijn dunne blonde haar – ik was er niet bepaald blij mee – had ik in een simpele staart gepropt. Ik wilde het haar van Amy. Het was het enige wat meisjesachtige wat ze bezat: haar lange blonde haar wat dik, maar niet te dik, was en in mooie krullen naar beneden viel. Alsof ze elke morgen gekapt werd door een kapper. Ik wist dat ze er niets aandeed, ze kamde het niet eens. Ik wilde ook geweldig haar. Filmsterrenhaar. Ze stond niet eens voor de spiegel tijdens het tandenpoetsen. Als het aan Amy lag, waren spiegels nooit uitgevonden.
Een paar mensen keken op toen ik binnenkwam. Misschien kwam het door de windvlaag die ik meebracht. Het was november, maar het leek wel echt winter. IJzige kou maakte het dagelijkse leven lastiger. Blaadjes vertraagden de treinen, zorgden voor meer schoonmaakwerk, vierkante wielen en uitglijders.
Het weer maakte dat ik snakte naar een warme kop chocolademelk met slagroom – ik lustte niet eens chocolademelk of slagroom. Vroeger wel. Ik had ooit een ervaring gehad met slagroom zonder suiker, Duitse slagroom. Daarna was ik bang dat wij Nederlanders ook ineens gestopt waren met slagroom met suiker als soort van dieetplan. – of een witgekleurde koffiekop gevuld met cappuccino.
Ik keek rond, maar in het schemerige licht zag ik weinig, dus ik zag Ischa nergens zitten. Wel zag ik een leuke jongen aan een tafeltje zitten. De glimlach op zijn gezicht was lief en mooi. Rechte witte tanden in een mond met smalle lippen. Zijn ogen kon ik niet zien en zijn haar was donker. Bruin, misschien zwart.Zijn haar was warrig en hij droeg zwarte gympen en een zwarte trui.
Het was een jongen zoals Devi, mijn ex. Devi was lief geweest, maar zo fout. Hij zag eruit als een lieve schattige jongen, maar in zijn geval gold overduidelijk de uitdrukking ‘Schijn bedriegt.’ Alleen zag ik dat niet, niemand die het zag dat de jongen met het schattige gezicht ook een jongen met hele donkere kanten was. Een jongen die wit poeder in zijn neus stopte om zichzelf naar de vernieling te helpen.
Zonde van een mooie jongen. Als alle lelijke mensen nou eens drugs zouden gaan gebruiken, zou de wereld perfect zijn.
Ik zuchtte even, terwijl ik nog even naar de jongen keek. Ik hoopte voor hem en zijn omgeving dat hij geen rare dingen in zijn neus stopte. Ik glimlachte, hij ook. We glimlachten samen. Toen werd zijn aandacht weggetrokken door een klein meisje in een roze jurk en strikken in haar haren.
Ik liep naar de bar in het midden van de ruimte. Er stonden twee mensen achter en alle twee de mensen waren druk. Ik kuchte even om aandacht te trekken. Het leverde een ‘Ik kom zo bij je’ op. In elk geval iets.
Ik begon met mijn nagels op de bar te tikken. Een gewoonte die veel mensen irritant vonden, maar voor mij was het een verslaving, een obsessie. Ik hoorde het niet eens meer, ik merkte niet wanneer ik het deed tot Amy me een – pijnlijke - klap op mijn vingers gaf en me commandeerde op te houden.
Toen draaide een van de mensen zich om. Een meisje met een bril. Ischa. Ik schrok. Ik had niet verwacht dat ze hier zou werken.
“Avon. Je bent er. Over een halfuurtje ben ik klaar met werken.”
Waarom hadden we in godsnaam om drie uur afgesproken als ze pas halfvier klaar was?
Het brave meisje in mij knikte en ik bleef wachten aan de bar, een beker chocolademelk met slagroom – ik at de slagroom het eerste op -.

Het halfuur leek te kruipen.
Ik zag mensen binnenkomen – de meest rare figuren – en ik zag mensen weggaan. Normale mensen, rare mensen. Grote mensen, kleine mensen. Zo ook de leuke jongen die naamloos was en dat zou blijven. Ik hoorde Amy in mijn hoofd gillen dat ik zijn nummer moest vragen voor het te laat was. Zelf riep ze altijd dat soort dingen, maar ze deed het nooit. Daar was ze niet dapper genoeg voor. Ik ook niet, maar ik riep het ook niet.
Soms is roepen gemakkelijker dan doen.
Ik negeerde het.
Na een kwartiertje stond hij op, riep “Doei David, doei Ischa,” en verdween door de deur naar buiten. Ik staarde hem even na. Ik zag dat hij een fiets van het slot haalde en wegreed.
Ik liep naar het rek met gratis kaarten en haalde er een paar uit die ik meenam naar mijn plekje. Kleurige kaarten met allerlei teksten erop. Vroeger had ik ze gespaard. Ik versierde er altijd mijn agenda mee, maar het laatste jaar had ik de moeite niet meer genomen ze in mijn agenda te plakken.
Ik had het nutteloos gevonden dit jaar. Dat was het ook: nutteloos.
Af en toe lachte Ischa naar me, maar ze sprak niet met me. De man naast haar, David waarschijnlijk, hield nauwlettend in de gaten of ze niet te lang met klanten bleef praten. Ik dacht dat hij de baas moest zijn. Zo gedroeg hij zich wel. Ik verdiepte me in een van de kaarten. Ik begon achterop de kaart wat te krabbelen. Ik krabbelde wel vaker op papier. Meestal waren het poppetjes met een missend lichaamsdeel. Waarom ik ze zonder armen, benen of hoofden tekende, wist ik niet. Dat deed ik al als zesjarig meisje. Vroeger dachten ze dat ik zwaar gestoord was, mijn leraren. Ik was er zelfs ooit voor naar een psycholoog geweest. Daar kwam niets uit. In elk geval niet wat ze wilden dat eruit kwam: gek.
Ik was niet gek. Ik hield gewoon van poppetjes met missende lichaamsdelen. Daar was toch niets mis mee?
“Ga je mee?” hoorde ik ineens naast me. Ischa had haar jas al aan en wenkte me. Blijkbaar waren de laatste minuten sneller gegaan dan ik gedacht had.

Ik stond op de bus te wachten toen ik ineens een bekend figuur op me af zag komen lopen. Hij. Hij liep wankel en sloeg panisch om zich heen. Zijn trui was vaal, zijn ogen waren versierd met gigantische wallen. Ik schrok. Ik schrok van de gevolgen van het witte poeder. Hoelang had ik hem niet gezien? – Een halfjaar – In die tijd was hij veranderd. Veranderd van mooie jongen in een lelijke
- hoe moest ik hem nou noemen? – drugsverslaafde. Iemand die jong zou sterven.
"Hoi." Zijn stem was het enige wat echt hem was. Die was onveranderlijk.
"Hoi."
Ik was niet goed in gesprekken met exen. Niet met ex-klasgenoten,ex-vrienden. Ik kon niet meer vragen dan of alles goed was. Hier was het overduidelijk niet goed. Zoiets kon ik niet eens vragen.
"Je ziet er goed uit, Avon." Zijn ogen gingen hebberig over mijn lijf. Van boven naar beneden gingen ze. Hij deed het natuurlijk liever met zijn handen, maar ik zou het niet toestaan, ik zou het tegenhouden. Ik verwachtte een opmerking over het shirt wat ik aanhad, maar dat kon hij natuurlijk niet zien. Ik droeg het zwarte jasje met gouden knopen wat hij altijd 'een altojasje' genoemd had. Ik had er altijd wel om kunnen lachen. Nu zei hij er niets over. Een van de dingen die nu anders waren. Een van de vele dingen.
Hij was maar zes jaar ouder dan dat ik was, maar nu zag hij eruit als twintig jaar ouder. Hij had het zelf gedaan, maar toch voelde ik medelijden met hem.
Tijd is alles wat we niet in de hand hebben.
Ik zei niets na het hoi en staarde naar de kauwgom op de grond rondom zijn schoenen. Ik had hem niets te melden. Achteraf moest ik blij zijn dat hij het uitgemaakt had, anders was ik ook nog in de drugswereld beland misschien. Misschien ook niet. Ik zou het nooit weten.
De vrouw naast hem stak een sigaret op. Natuurlijk waaide het allemaal mijn kant op; in mijn gezicht. Boos kuchte ik, maar de vrouw schonk er geen aandacht aan. Of ze hoorde het niet. Ik vond roken asociaal. Het stonk, er waren mensen die er niet tegen konden en het maakte witte muren grauw. Bovendien maakte je jezelf er ook mee kapot.
Zijn stem haalde me uit mijn gedachten. Hij vroeg of ik een paar euro had. Het verbaasde me dat hij zo'n vraag stelde. - durfde te stellen - Vroeger was hij de jongen geweest die onafhankelijk wilde zijn en van niemand geld leende. Ook niet van mij. Ik zou het gegeven hebben, zonder twijfel. Het was zijn trots om het niet te doen. En nu, nu had hij al zijn prioriteiten opzij moeten zetten. Hij moest leven van geleend, bij elkaar gebedeld geld en was hij afhankelijk, afhankelijk van wit poeder.
Ik graaide in mijn zakken en vond een euro. Even keek ik naar het zielige muntje in mijn hand voor ik het aan hem gaf. Mijn ouders hadden me geleerd dat ik geen geld aan drugsverslaafden moest geven, dat hadden ze me geleerd. Ik had er ook altijd aan gehad en een junk nooit geld gegeven, maar het waren nooit mensen geweest waar ik veel aan verschuldigd was. Hij was dat wel.
Ik gaf hem de euro. Hij bedankte me niet met woorden, maar glimlachte naar me. Het was die middag leuk geweest, maar ik had nooit verwacht Devi te zien. Ik beet op mijn lip en voelde me een beetje triest worden. Het was een minder leuke afsluiting van een leuke middag waaraan de mogelijkheid hing om er een goede vriendin aan over te houden.
"Avon." Ik hoorde dat zijn stem verstikkend klonk en een beetje verdrietig. "Ik snap niet waarom ik jou ooit gedumpt heb."
Ik snapte het ook niet, maar ik had niet het antwoord, dat had hij. Hij had het ooit uitgemaakt, ik niet. "Ik ook niet." Ik wist het niet, natuurlijk niniet.
"Je bent zo mooi, zo lief."
Ik wil je niet meer terug, sukkel. Ook al is het pas een halfjaar geleden.
Ik zei niets, ik zweeg. Ik zou vanaf nu zwijgen tegen de jongen die mij zo laf dumpte via een sms en nooit de reden had verteld.
"Heb je de dood van Era verwerkt?"
Hij had haar gekend, maar niet goed. We hadden zeven maanden een relatie gehad en hij had Era en Amy een aantal keer ontmoet. Op mijn verjaardagsfeestje - ik was jarig in mei - en de keren waarop ik thuis was met mijn vrienden, had hij ze gezien.
Ze waren geen vrienden. Amy en Era hadden hun oordeel over Devi klaar: foute jongen. Devi had ook een oordeel over Amy en Era: twee saaie mutsen.
Ik had het jammer gevonden dat ze niet goed met elkaar op konden schieten, maar ik had geprobeerd ze zoveel mogelijk bij elkaar uit de buurt te houden. Alleen soms was het niet mogelijk - zoals op mijn verjaardag - en daar had ik mee moeten leren leven. Era heeft hem nooit meegemaakt dat hij het uitmaakte en ik uithuilde bij Amy, maar anders hadden zij en Amy een vreugdedansje gedaan. Daar was ik van overtuigd. Ik had geen slechte vriendinnen die me niets gunden, maar ze vonden dat ik te goed was voor Devi - ze wisten niet eens dat hij cocaïne gebruikte, ook toen hij met mij had. Ze zouden hem vermoord hebben – en achteraf gezien vond ik dat ook.
Ik dacht even na. Had ik haar dood eigenlijk verwerkt? Ik dacht eigenlijk nog zelden aan haar, maar was dat iets verwerken of juist iets wegstoppen om er zo weinig mogelijk aan te denken?
Ik knikte. “Ik geloof van wel. Ik denk het. Ze spookt niet veel meer in mijn gedachten rond.” Even keek ik naar hem, in zijn ogen. Die waren ook nog hetzelfde blauw als ze waren. Ogen waaraan ik zoveel toevertrouwd had. Ogen die me zo vaak gesmeekt hadden om te praten, om te vertellen over Era. Ik had het nooit gedaan, het aanbod nooit aangenomen. Had ik het maar wel gedaan. Misschien was onze band hechter geworden en hadden we nu nog steeds iets gehad. Misschien ook niet en was het ons lot. Een maand nadat wij wat kregen, vielen wij – ik – van onze roze wolk, doordat Era overleed. Era.

Ik staarde naar het lichaam, het dode, van mijn beste vriendin. Ik kneep in Amy’s hand en even keek ik naar haar. Er blonken tranen in haar ogen. Ik voelde dat ze in die van mij ook te zien moesten zijn, maar we zeiden het geen van beiden tegen elkaar. We zeiden helemaal niets tegen elkaar. We hadden er geen woorden voor, alleen maar stilte.
Ik stak mijn hand uit. “Ze is koud.”
“Natuurlijk is ze dat. Ze is dood.”

We zwegen weer en het was geen fijne stilte. Een onprettige stilte. Hij wilde misschien zeggen dat het goed was van mij, maar daar had ik zeker geen behoefte aan. Ik had een fijne middag gehad en wilde dat niet laten verpesten door mijn snuivende ex.
Op dat moment kwam de bus eraan.
“Moet jij ook met de bus?” vroeg ik, terwijl ik opstond en in de richting van de bus wilde lopen, maar iets me tegenhield. Hij had – of woonde – vroeger bij mij in de buurt gewoond. Om de hoek om precies te zijn. Alleen of hij er nog zou wonen, betwijfelde ik. Hij schudde zijn hoofd en ik was niet verrast.
“Nee, Avon.”
“Ik moet gaan.”
“Ja. Het was leuk om je te zien, Avon. En die euro krijg je wel terug.”
“Hoeft niet, je hebt me zoveel gegeven vroeger,” zei ik en glimlachte naar hem. Hij glimlachte terug. Toen stapte ik de bus in. Ik betaalde twee euro voor een kaartje en liep toen door naar achteren. Hij stond er nog steeds en toen ik ging zitten, legde hij zijn hand op het glas. Ik zag de somberheid in zijn ogen, het verdriet. Verdriet, omdat we allebei er bijna zeker van waren dat dit weleens onze laatste ontmoeting kon zijn geweest. Misschien wilde hij me nog eens zien en was die euro slechts een smoes geweest.
Ik bleef kijken tot de bus wegreed. Toen begon ik mijn gedachten te ordenen en dacht ik terug aan die middag.

We liepen het cafe uit, na een lang afscheid tussen David en Ischa, de kou in. Ischa zei niets, maar glimlachte.
“Zullen we wat gaan drinken bij dat schattige restaurant midden in het Stadspark?”
“Waarom niet in het cafe waar je werkt?” vroeg ik verbaasd. “Waarschijnlijk krijg je daar nog korting ook. Misschien krijg je zelfs wel gratis drinken.”
“Dan ken je David niet. Niemand krijgt gratis drinken. Het gaat van je loon af en het is nou niet het meest goedkope café van de stad.”
Ik dacht aan de hippe tent en vond ook niet dat het er erg goedkoop uitzag. Meestal waren de moderne restaurants en cafés duurder dan aftandse.
Ze glimlachte naar me, terwijl we stevig doorliepen. In het park was het druk met kinderen die achter elkaar aanrenden, baasjes en honden, een paar joggers en wat wandelaars. Het Parkrestaurant lag in het midden met uitzicht op de vijver. In de zomer was er een terras op die vijver en werden er optredens – gratis - gegeven die erg populair waren. In de winter was de vijver een grote ijsbaan.
We liepen door tot we in het restaurant waren en we door de warmte onze jas uit konden doen. We kozen een tafeltje bij het raam – “Wil jij bij het raam? Het is vooral in de avond zo mooi. Ja? Is goed.” – en bekeken de menukaart.
“Ik neem een witte wijn,” zei ze. Ik had niet verwacht dat ze wijn zou drinken, ik had iets anders verwacht. Een cocktail paste bij haar, daar was ze hip genoeg voor. Ik besefte me dat ik niet meer wist wat ze gisterenavond gedronken had. Misschien mixdrankjes. Wijn was zo ouderwets. Wijn paste niet bij haar, bier ook niet. Bier was iets voor Amy en voor jongens. Bier was niets voor mij. Ik wist niet echt wat bij mij paste. Voor cocktails was ik niet hip genoeg, voor wijn niet oud genoeg en voor bier niet jongensachtig genoeg. “Jij ook wijn?”
Ik knikte. “Ja, wijn. Lekker.” Ik hoopte niet dat ze een gesprek met me zou gaan houden over wijn, ik had er geen verstand van verder.
Een ober kwam naar ons toe, nam de bestelling op en verdween weer. Ze begon te praten. Ischa begon te praten over dingen die ik niet allemaal meteen wilde horen. Ze was toch nog eigenlijk een vreemde voor me. We hadden elkaar gisteren voor het eerst gezien. Dan ben je de volgende dag toch nog niet meteen dikke vrienden. Lijkt mij. Misschien lag het bij haar wel anders. Of ze was hopeloos op zoek naar een vriendin. Ze vertelde haar hele leven zowat. Ik moest moeite doen om niet te gapen; zo saai was het.
Ineens zei ze iets waar ik van schrok, waar mijn haren rechtop van gingen staan en waar ik nog nooit eerder mee te maken had gehad.

4

A friend in needs a friend indeed
A friend who’ll tease is better
Our thoughts compressed,
Which makes us blessed
And makes for stormy weather

Pure morning – Placebo

Ik gooide mijn jas op een keukenstoel – ik wist dat mijn moeder er een hekel aan had – en kreeg een boze blik van mijn kokende moeder toegeworpen. Ze zei niets, maar haar blik zei genoeg. Ze was boos. Als ik haar zou zeggen dat mijn mobiel gestolen was, zou ze nog bozer worden. Ze vond dat ik niet zuinig genoeg was. Had ze soms gehoord dat mijn mobiel gejat was en was ze daarom zo boos? Of was ze alleen boos vanwege mijn jas op de stoel? Ik zou het spoedig weten.
“Ruim je jas eens op. Je weet hoe je vader over rommel denkt.” Het was waar, mijn vader werd woedend bij het zien van rommel, maar mijn moeder was net zo erg en deed dat net zo goed. Ze pasten heel goed bij elkaar, ze hadden zoveel dezelfde trekjes. Het was soms gewoon eng. Of ze waren in hun vorige leven een tweeling geweest of het was gewoon heel erg toevallig.
“En jij ook,” zei ik brutaal voor ik de jas van de stoel viste en hem aan de kapstok ophing. Meestal vond mijn moeder me al brutaal als ik zoiets als dit zei, maar vandaag reageerde ze er niet op. Ze keek met gefronste wenkbrauwen in de pan waarin iets zat wat blijkbaar goed in de gaten moest worden gehouden.
“Er hebben mensen voor je gebeld.”
“Wie?” vroeg ik, benieuwd naar namen. Ik werd nooit thuis gebeld, altijd mobiel. Alleen die was natuurlijk kwijt, maar er was bijna niemand die het wist. Alleen Amy, maar de rest van mijn kleine vriendengroepje wist van niets. Niet omdat ik ze niets wilde vertellen, maar ik had er gewoon nog geen tijd voor gehad en bovendien zou ik dan eerst Amy moeten bellen voor alle telefoonnummers. Die wist ik niet uit mijn hoofd.
“Bij de telefoon ligt een briefje met namen en telefoonnummers.” Ik wilde de keuken uitlopen, maar mijn moeder riep me terug. “Nog even over gisteren. Je kleding was een beetje bloot. Dat vind ik en ik weet zeker dat je vader het met me eens is.”
Je had toch een wat langer jurkje aan kunnen doen? Veel fatsoenlijker. Je wilt toch geen reputatie krijgen van…-“
“De reputatie van een goedkope slet?” zei ik sarcastisch. Mijn moeder kon zulke dingen nooit goed uitspreken. Zulke woorden hadden voor haar dezelfde betekenis als wanneer ik aan insecten dacht: vies.
Ze knikte. “Precies. Je hebt zoveel leuke jurkjes die langer zijn. Waarom doe je niet zoiets aan?”
Omdat ik me daarin niet sexy en mooi voel, mama.
“Ik zal het de volgende keer doen,” zei ik zo geloofwaardig mogelijk. Niet dat ik van plan was de tuttige jurken die mijn moeder bedoelde, ooit aan te doen. Niet als het niet strikt noodzakelijk was. De jurken die zij bedoelde kwamen tot aan mijn knieën of verder en waren hooggesloten zonder enige vorm erin.
Ik wist best dat ze mijn kledingstijl – de kledingstijl van de meeste meisjes – maar niets vond. Het was te sexy en te bloot. Ik vond het niet te bloot, want ik droeg vaak genoeg kleren die het overgrote deel van mijn lijf bedekte. Alleen dat zag ze niet, omdat dat niet opviel. Dat was niet erg. “Kan ik nu gaan?”
Ze knikte; ik liep de keuken uit en de gang in. Bij de telefoon lag altijd een boekje waarin een ieder van ons gezin opschreef als er gebeld was voor een ander gezinslid. De naam en eventueel het nummer. Nu waren er drie namen die de bladzijde sierden, opgeschreven in het nette handschrift van mijn moeder.
Liz.
Roel
Laurence
Liz was de afkorting van Liza. Geen idee waarom ze zichzelf dan Liz noemde. Ik zag haar even voor mij. Ze was geliefd, veel jongens waren verliefd op haar. Blijkbaar deden lang rood haar, groene ogen en sproeten het goed bij de jongens die ik kende. Ze was niet het meisje waar ik normaal gesproken mee omging. Ze was meer een vriendin van anderen en ik accepteerde haar. Net zoals Amy dat deed. Ik en Liz gingen nooit wat met zijn tweeën doen. We hadden ook amper contact. Roel was een aardige jongen, maar ik had weinig met hem. Hij had pikzwart haar, oogpotlood onder zijn ogen en zwarte nagellak. Hij was altijd in het zwart – en soms in zwart met wit – gehuld. Hij had lef en dat bewonderde ik in hem. Laurence was mijn beste vriend, mijn maatje, naast Amy. Ik kende hem langer dan haar, maar verder was er weinig verschil. Hij was de tegenpool van Roel. Blond haar, blauwe ogen, ontzettend bruin en hij droeg altijd felgekleurde kleren. Ik kende hem sinds ik zes was, maar ik zag hem niet vaak meer. Zijn passie was surfen en dat deed hij nu professioneel. Hij woonde de helft van het jaar in het buitenland. We onderhielden contact via de computer en via de telefoon.
Verbaasd keek ik naar het lijstje namen.
Waarom zouden ze me alledrie gebeld hebben op dezelfde dag? Zoiets gebeurde nooit. Ik wist niet eens dat ze mijn huisnummer hadden. Ik dacht dat alleen Amy het had. Blijkbaar hadden ze het wel. Of ze hadden Amy gebeld. Ieder van hun kende Amy. Het was vast gewoon toeval. Niets meer dan dat. Bovendien waren het vrienden, dus waarom zou ik het raar moeten vinden dat ze me belden? Misschien wilden ze wel iets met me afspreken.
Op het briefje stonden geen nummers, ze gingen er natuurlijk vanuit dat ik hun nummers had. Die had ik, ja. Met de nadruk op had. Ik stak mijn hand uit om Amy’s nummer in te tikken toen de telefoon ging. Ik keek op de nummermelder, maar daar stond dat deze persoon anoniem belde. Ik had een hekel aan anonieme telefoontjes. Meestal nam ik niet op en dat wilde ik nu ook niet doen, maar toen riep mijn moeder dat ik de telefoon op moest nemen.
“Met Avon.”
“Wil je me niet de hele tijd bellen?” Het was een van de mensen die ik moest bellen. Liz. Ze klonk boos, chagrijnig, geïrriteerd. Dat klonk ze wel vaker, dus het was niets nieuws. Alleen dat was eigenlijk alleen op school. Of als we met de hele groep ergens waren en meestal negeerde ik haar. Normaal kon het me niet veel schelen hoe ze deed, maar nu wel om een of andere vage reden.
“Sorry? Ik snap je niet helemaal, geloof ik. Waar heb je het over? Ik bel je helemaal niet.” Ik fronste mijn wenkbrauwen. Wat had dat rare kind? “Ik zag dat je mij gebeld had en ik wilde je net terugbellen, maar…-“
“Je praat onzin, Avon. Raar dat je me niet belt, terwijl mijn mobiel toch echt zegt dat ‘Avon’ belt. Hoe verklaar je dat?” Ik hoorde de cynische ondertoon in haar stem. De toon die ze altijd had als ze tegen bepaalde mensen praten. Helaas hoorde ik ook in dat rijtje mensen thuis.
“Ik doe echt niets, Liz.” Ik hoorde wanhoop in mijn stem en hoopte dat zij het ook hoorde, maar dat deed ze niet. Ze snoof enkel.
“Nee, vast niet. Ik hoorde van andere vrienden ook al dat je hen lastigviel. Moet je me nog steeds niets bekennen?” Die andere vrienden waren vast haar vrienden, want de enige twee echte vrienden van mij waren Laurence, Amy en Bryan, maar die laatste telde in dit geval niet. Dat was anders. De rest van de mensen met wie ik om ging waren kennissen, ook al vrienden van Laurence. Het waren mensen die ik er gratis bij had gekregen toen ik een vriendschap begon met Laurence. Amy had geen vrienden meegenomen, zij was het buitenbeentje van ons groepje. Ze had wel andere vrienden, maar die gingen niet om met ons en wij niet met hen. Nou ja, ik soms.
Liza en Liza’s beste vriendin Zoë – het vriendinnetje van Roel – maakten haar altijd belachelijk en daarom mocht ik ze niet zo. Liz was het type die grappig, heel leuk probeerde te zijn door anderen voor schut te zetten. Nee, aan dat soort types had ik een hekel.
“Nee, Liza.” Ik legde expres nadruk op Liza. Dat vond ze niet leuk, helemaal niet leuk.
“Dan heb ik jou niets meer te zeggen, stalker!” riep ze dramatisch en ze verbrak de lijn. Kwaad staarde ik naar de telefoon. Ze geloofde me niet eens. Ik had niets gedaan. Hoe kon ik als ik alle nummers van mijn vrienden kwijt was? Kwaad was niet het goede woord, ik was gefrustreerd. Zwaar gefrustreerd. Waarschijnlijk hadden Roel en Laurence een zelfde soort melding, al zouden ze het minder dramatisch en boos brengen dan Liz. In elk geval zou Laurence dat doen. Hij zou naar mijn uitleg luisteren en het waarschijnlijk af doen als een toevallig voorval.
“Moet je de hoorn niet neerleggen?” zei een stem achter me. Ik smeet de hoorn er behoorlijk hard op. Iets wat me een “Het hoeft niet kapot” opleverde. Het kon me niets schelen. Ik keek boos naar mijn moeder. “Wat is er, Avon?” Ze keek me aan, verbaasd door mijn blik. In de spiegel achter haar, zag ik mezelf en besefte dat ik op deze manier best wel angstaanjagend leek. “Waarom belden je vrienden?”
“Ik schijn ze steeds te bellen,” zei ik. “Dat doe ik alleen niet. Mijn mobiel is gestolen en …-“
“Je mobiel gestolen? Wanneer?” Haar stem klonk paniekerig. “Nu moeten we zoveel regelen, Avon. Je moet je abonnement laten blokkeren, je telefoonnummer wijzigen, een nieuwe telefoon aanvragen. Aangifte doen. Wanneer is hij gestolen?”
“Gisteravond. Op het feestje van Bryan. Hij zegt dat het niet kan, dat al zijn vrienden te vertrouwen zijn, maar er zijn vast mensen bij die hij eigenlijk helemaal niet echt kent. Vrienden van vrienden.”
Mijn moeder leek het niet te horen. “Je moet aangifte gaan doen. Hoe eerder, hoe beter.”

Ik zat in een kleine hal op een klein blauw klapstoeltje. Naast me zat een donkere meneer, keurig in pak, met een jongetje met geweldig kroeshaar. Het jongetje was bezig met een paar blokken. De man glimlachte naar mij, ik glimlachte terug. Behalve drie stoelen, een klein kinderhoekje, was er een balie waarachter een agent zat. Hij keek niet naar ons, maar was te druk met bellen. Daarbij gebaarde hij druk.
Af en toe kwamen er wat agenten langs, maar verder bleef het stil. Op een kleine tafel lagen allerlei folders en er boven hing een poster om werken bij de politie aan te prijzen. Ik zou dus nooit politieagente willen worden.
Uit een deur kwam een jonge man. Ik schatte hem hooguit een jaar of vijfentwintig. Het was vast een pas afgestudeerd politiestudentje. Hij glimlachte. “Wie is er nu?”
Ik wees naar de man. Het was waar, hij was eerder dan mij. De man stond op, pakte de blokken van zijn zoontje af en tilde het inmiddels huilende jongetje op.
Logisch. Ik zou ook huilen als mijn blokken afgepakt zouden worden.
Ze liepen door de gang, de man met het jongetje op zijn armen en de agent, en verdwenen toen door een kamer in te gaan. Ik bleef zitten. Mijn moeder had me meteen weggestuurd toen ze hoorde dat mijn mobiel kwijt was. Ik moest meteen langs de politie. In mijn eentje, want zij had geen tijd. Natuurlijk niet, ik moest zoveel van haar, maar tijd had ze nooit.
Ik was nog langs Amy’s huis gefietst, maar ze was niet thuis geweest. Waarschijnlijk was ze nog niet thuis van het familieweekend. Ze had me niet verteld hoelang het zou duren. Jammer. Nu zat ik me hier alleen te vervelen. Ik rekende er niet op dat de man snel klaar zou zijn. Aangiftes waren toch nooit zo snel klaar? Ik had nog nooit aangifte gedaan, was nooit met justitie in aanraking geweest, dus ik had er geen verstand van. Misschien was dat maar beter ook.
Ik keek naar de foldertjes op het tafeltje en ik stond op om er een te pakken, maar net op dat moment kwamen de man en de politieagent weer aangelopen. Ik ging snel zitten en deed alsof ik dat al die tijd gedaan had. De man liep langs me, groette me en liep naar de uitgang.
De jonge agent keek me aan. “Kom je aangifte doen?” Ik knikte. “Loop dan maar mee.” Hij stak zijn hand uit. “Ik ben Mike Pietersen.” Niet echt een bijzondere naam, maar je kon je naam niet kiezen. Nou ja, het kon wel, maar daar was geld voor nodig. Dan kon je je achternaam laten wijzigen.
“Avon Somers,” zei ik, terwijl ik de hand beetpakte. Hij gaf een hand die niet heel erg ruw en stevig was, maar ook geen slap handje. Het was precies goed. ‘
“Wil je nog iets drinken, Avon?” Hij glimlachte naar me en wees naar een drinkautomaat in het hoekje. Zijn glimlach was mooi. Witte rechte tanden. Tanden die ik altijd gewild had.
“Thee, alstublieft.”
“Volg me,” zei hij tegen mij en tegen de agent achter de balie zei hij dat hij zo een kop thee moest komen brengen. De agent knikte.
Ik volgde hem door de gang.

Tien minuten later stond ik buiten met het bewijs dat mijn mobiel gestolen was, in mijn handen. Dit moest ik aan mijn telefoonprovider laten zien, als een soort bewijs. Ik zag niet in wat het op zou leveren, maar het was iets.
Ik propte het papier in mijn zakken. Net toen ik mijn fietssleutel in mijn slot duwde, voelde ik een druppel mijn nek inlopen.
“Geen regen,” kreunde ik. Ik keek even om me heen en toen leek het of mijn hart stilstond.
Een politieauto reed vlak langs me heen, richting het bureau. Op zich was daar niets raars aan, maar ik kon vaagjes de persoon onderscheiden die erin zat. Die persoon keek me recht aan. Ogen die ik herkende, kende.


Ik rende door de gang, zo hard als ik kon. Ik was te laat, veel te laat voor het belangrijkste proefwerk van Nederlands. Hoe had ik me zo erg kunnen verslapen? Ik was allang blij dat ik gympen droeg en niet een van mijn hooggehakte schoenen. Ja, daar kon ik wel een beetje op rennen, maar niet supergoed. Op mijn gympen rende ik sneller dan een cheetah. Bij wijze van spreken dan.
In mijn handen had ik een stapel boeken. Opeens hing de wereld stil en ik viel er vanaf met de boeken in mijn handen. Zo leek het. In werkelijkheid was ik tegen iemand aangebotst. Nog erger. Het was een jongen met blond haar en blauwe ogen. Hij was niet superknap, maar ook niet lelijk.
Mijn boeken hield ik wonder boven wonder nog vast.
“S-sorry,” stamelde hij. “Ik zag je niet.”
“Ik jou ook niet.” Ik kende de jongen, maar wist niet waarvan. Ik stak mijn hand uit om me voor te stellen. Wie weet zou zijn naam iets bij me op roepen. “Avon.”
Hij pakte mijn hand aan. “Ik kende vroeger een Avon. Een klasgenootje van mij en mijn beste vriendin heette zo. Die naam hoor je niet zo vaak. Toevallig dat je ook zo heet. Ik ben Laurence.”
Ik wist wie hij was. Laurence, mijn vroegere beste vriend, die ik uit het oog verloor toen ik naar de middelbare school ging en hij verhuisde naar Amerika.
“Niet toevallig. Ik ben die Avon. Avon Somers.”

We waren elkaar uit het oog verloren toen we twaalf waren, maar na drie jaar vonden we elkaar terug op school. Eerlijk gezegd had ik niet verwacht hem ooit nog te zien. Zodra hij naar Amerika verhuisde, leek het over te zijn met onze vriendschap. Ik beschouwde het als een kindervriendschap die over was. Vroeger kon ik alles aan hem kwijt, maar zodra hij verhuisde, leek het over te zijn. Nu vond ik hem terug op een totaal onverwachte plek.
Laurence. Zijn blauwe ogen keken me een seconde lang aan. Ik zag er schaamte in. Ik zag dat hij schrok dat ik hier was. Ik schrok net zo goed. Je zag niet elke dag dat je beste vriend in een politieauto zat. De auto reed langs me heen en draaide parkeerplaats achter het bureau op waardoor hij uit mijn gezichtsveld verdween. De regen die begon te vallen, voelde ik niet.
Ik voelde me paniekerig. Mijn eerste ingeving was het bureau weer in rennen en vragen waarom Laurence in die auto zat, maar waarschijnlijk zouden ze mij die informatie niet mogen geven. Voor privacy of iets dergelijks. Mijn tweede ingeving was dat ik Amy moest bellen, maar dat kon niet. Ik zou eerst naar huis moeten en ik wilde het nu zo graag weten.
In mijn hoofd leek alles op volle toeren te draaien en de hoofdvraag was: Waarom?
Laurence was, voor zover ik wist, een redelijk brave jongen. Hij gebruikte soms softdrugs, maar was nog nooit met de politie in aanraking geweest. Wat had hij gedaan?
Ik staarde naar het politiebureau in de regen, me afvragend waarom mijn beste vriend daar zat. Mijn ogen keken in het rond en ik zag de telefooncel aan de overkant. Toevallig. Telefooncellen leken een uitstervend fenomeen te worden. Over vijftig jaar zou ik tegen mijn kleinkinderen zeggen dat ik de laatste telefooncellen had meegemaakt. Ze zouden me dan verbaasd en ongelovig aan kijken, zich beseffend dat oma al zo oud was. Iedereen – bijna iedereen dan - had mobieltjes, dus waarom zouden er nog telefooncellen nodig zijn? Ik zag ze eigenlijk nooit meer, maar eerlijk gezegd lette ik ook nooit zo op ze. Ze waren voor mij nooit nodig eigenlijk. Vroeger wilde ik altijd bellen in zo’n groen hokje. Dat was veel leuker dan thuis.
Mijn handen gingen naar mijn zakken om te voelen of ik kleingeld – muntjes – in mijn zakken had zitten, maar ik vond alleen een briefje van vijf euro en tien cent. Hier waren ook geen winkels waar je het kon wisselen. Moedeloos stopte ik het weer terug. Had ik mijn mobiel maar. Als ik mijn mobiel had gehad, was ik hier nooit geweest en had ik Laurence nooit gezien. Was dit toeval of had het lot dit verzonnen?
Ik zou naar huis moeten en vanuit daar moeten bellen naar mijn vrienden. Liz viel af. Roel waarschijnlijk ook. Dan waren mijn enige opties Zoë en Amy. Alleen Roel zou wel het meeste weten, want het was zijn beste vriend.
Beste vriend zijn van iemand zegt niets, Avon. Jij bent de beste vriendin van Laurence en jij wist toch ook van niets. Misschien weet Roel ook van niets. Iemand zijn beste vriend zijn is geen garantie dat je de sleutels van zijn gedachten bezit. Misschien is hij anders dan je dacht en heeft hij geheimen voor je.
Ik haalde de sleutel uit mijn slot en draaide me resoluut om, in de richting van het politiebureau. Nee had ik, ja kon ik krijgen.

5

I just know your life is gonna change
Gonna get a little better
Even on the darkest day
I just know your life’s gonna change
Gonna get a little further
Right until the feelings change

Simon Webbe – No worries

Ze wilden me niets vertellen. Hij moest het zelf maar doen. Ik had hem op zijn mobiel gebeld, maar hij had de hele dag niet opgenomen. Amy en Roel wisten niets meer dan ik. Ze leken net zo geschokt. Het zou het nieuwtje van vandaag – het maandagnieuwtje – zijn. Ik hoopte dat ik hem vandaag zou spreken, maar ik betwijfelde het. Ik vroeg me af of hij wel zou komen.
Laurence zat in de zogenaamde Talentenklas. Een klas met leerlingen die een bepaald dingen beter konden dan anderen. Er zaten sporters, artiesten en kunstenaars in die klas. Surfers, voetballers, zangers, songwriters, acteurs, schilders. De creatieve dingen voornamelijk. Het was een klas van twintig mensen en de meeste waren acteur of zanger. Er zaten slechts drie sporters in de klas. Kim, een tennisster, Victor, een voetbaltalent, en Laurence, een surftalent.
Mijn school was een van de weinige scholen in de omgeving die het aanbood en de selectie was zwaar. Alleen de beste mensen werden aangenomen. Ze hadden meer voorrechten. In Laurence’s geval was dat een halfjaar in het buitenland zitten en via Internet les krijgen. Ook waren hun roosters veel zwaarder dan die van ons.
Ik zette mijn fiets in het rek en vanuit mijn ooghoeken zag ik een meisje aan komen lopen. Ze leek op Amy – dezelfde houding, hetzelfde figuur – maar dit meisje had haar tot net onder haar oren en het was zwart.
“Zeg je niets meer?” zei ze. Een bekende stem was het.
“Wat heb jij gedaan?” stamelde ik tegen het Zwartkopje, genaamd Amy. “Waarom heb je je haren afgeknipt?” Ze haalde haar schouders op. “Je weet hoe mooi jouw haar is. Waarom knip je het en verf je het zwart? Waarom zo extreem? Waarom heb je het mij niet gezegd?” Die laatste zin was stom. In de jaren dat ik haar kende had ze me nog nooit opgebeld als ze ineens iets wilde. Of ik was er toevallig bij.
“Ik was het zat.” Typisch Amy. Ze was heel spontaan. Als ze iets zat was, haar haren bijvoorbeeld, twijfelde ze niet en deed ze het meteen. Ik kon maanden malen om iets als mijn haren kleuren of knippen. Of allebei. Ooit wilde ze ineens een tatoeage en ze was gewoon de tatoeagewinkel ingegaan en had gezegd dat ze er een wilde. Ook al was ze nog geen achttien. Toen was ze veertien. Nu prijkten er drie sterretjes op haar linkerpols. Haar moeder had erom gelachen. Mijn moeder zou me vermoord hebben. Amy’s moeder was heel gemakkelijk. Als haar dochter maar gelukkig was. Dan was het goed. Haar moeder was gescheiden en had elke week een andere vriend. Mijn moeder was al lang getrouwd. Haar moeder was gaaf, mijn moeder was een burgerlijke trut.
“Waarom maak je je druk om iets als mijn haar? Volgens mij heb je belangrijkere zaken om je druk over te maken.”
“O?” Ik trok mijn wenkbrauwen op en keek haar aan. Achter haar rug zag ik Zoë en Liz het schoolplein op komen. Waarom noemde ik die twee eigenlijk nog vrienden? Ze zouden ons zo keihard negeren en voorbij lopen alsof we er niet waren. Roel slofte er achter en zou ons ook negeren, want wat mevrouw Zoë zei, was wet. Liz en Roel zouden als makke lammetjes achter haar aanlopen. Van Laurence was geen spoor te bekennen. “Hebben die problemen iets met Laurence te maken soms?”
“Laurence?” Ze wist het dus niet. O, god. Misschien mocht niemand het wel weten. Misschien had ik nu wel mijn beste vriend verraden, al wist ik niet waarmee. Gisteren avond had ik alleen gevraagd of Amy hem pas nog gesproken had, maar ik zei niet precies dat hij problemen had. “Nee, die heeft er niet echt iets mee te maken. Hoewel…hij zei wel dat je hem steeds belde. Je schijnt iedereen steeds te bellen. Wat voor problemen zijn er met Laurence?” Nieuwsgierig keek ze naar me, terwijl ze uit haar tas een appel en banaan opviste en ze zwijgend voor mijn neus liet hangen ten teken dat ik moest kiezen. Ik wees de banaan aan – ik hield niet van appels – en ze stopte de appel weg. Amy en fruit was een combinatie. Net als Amy met een flesje water. Iets anders was niet natuurlijk.
“Ik was gisteren aangifte gaan doen vanwege mijn gestolen mobiel en toen…-“
“Heb je je mobiel al gebeld?” vroeg Amy ineens midden in de zin. Dat was typisch Amy.
“Nee,” zei ik verbaasd. “Moet dat dan?”
“Misschien weet je dan wie hem heeft.” Ze stak me haar telefoon toe. Ik pakte hem aan en zocht mijn eigen nummer op. Ik hoorde de telefoon over gaan, maar er werd niet opgenomen. Toen kreeg ik mijn voicemail.
“Dit is Avon Somers. Ik neem nu niet op en dat kan meerdere redenen hebben. Wil je dat ik je terugbel, spreek dan je telefoonnummer in. Doei!”
Zuchtend verbrak ik de verbinding en gaf hem terug.
“Voicemail?” vroeg ze. Ik knikte. “Heb je hem al laten blokkeren? Nu zit er iemand op jouw kosten te bellen.”
Ik schudde mijn hoofd. “Dat moet ik nog doen.”
“Ja, dat zou ik ook doen ja. Wat was er nou met Laurence?”
“Er reed er een politieauto langs. In die politieauto zat Laurence.” Ik zei het snel, emotieloos. Het leek een mededeling, maar wel eentje die voor mij veel betekende. Ze staarde me met grote ogen aan.
“Wat zei je?”
“Dat Laurence in een politieauto zat. Ik heb alleen geen idee waarom. Ik heb hem nog niet gesproken.”
“Weet Roel iets?”
“Wat weet ik?” Roel stond achter ons. Zijn haar zat verward en het leek of hij wallen had. Hij zag er in elk geval slecht uit. Ik keek meteen om me heen, zoekend naar Liz en Zoë. Hij wees de twee meisjes aan die allebei met een sigaret in hun mond stonden bij de rest van de rokers.
“Dat je zoent met een asbak,” zei Amy vol afgrijzen. Amy was een gezondheidsfreak. Ze at niet eens patat, dus zoiets als roken was helemaal taboe. Zij en Roel hadden altijd discussies over het roken van Zoë. Vandaag had ik er geen zin in.
“Waar Laurence is. Ik moet hem wat geven,” zei ik snel.
“Ik heb hem niet gesproken dit weekend. O, zou je me niet steeds willen bellen, Avon? Zeker niet om vier uur in de nacht. Dat vind ik niet zo leuk.”
“Ik heb je niet gebeld,” zei ik verbaasd. “Mijn mobiel is gestolen, maar…” Hij had zich al om gedraaid. Ik was niet boeiend meer. In de verte zag ik Zoë haar sigaret uittrappen, terwijl ze hem wenkte. Roel grijnsde naar me.
Zoë de koningin. Roel de slaaf. Liz de slaaf. Amy de opstandige onderdaan.
“Verdomme.” Hoe kon Roel zo blind zijn dat hij als een hond achter Zoë aan liep? Ik wilde geen vriendje wat me achterna liep. Ik wilde een vriendje met wie ik soms ook ruzie kon maken en waarop goedmaakseks volgde. Een vriendje waarbij ik soms moest zeuren om mijn zin te krijgen en waarbij het lang niet altijd lukte. Ik wilde geen watje zoals Roel. Ik wist zeker dat als Zoë zei dat ik een trut was, Roel me ook een trut vond, terwijl hij dat alleen zei om haar een plezier te doen.
Zoë was een kreng, een trut, maar toch vond iedereen haar aardig. Of ze deden alsof. Misschien was het omdat het leek of ze alles had. Ze had alles wat ik – de meesten - wilde: een mooi lichaam, veel bekijks, een vriendje, meisjes die haar aanbeden.
Misschien was ik gewoon wel jaloers.

Laurence leek onvindbaar. Tot het laatste uur. Tijdens het laatste uur, wiskunde, moest ik even naar de wc. Ik hoefde zelden onder de les naar de wc, maar bij wiskunde kon je gewoon even weg lopen, omdat we in groepjes werkten en voor onszelf.
Net toen ik de wc uit wilde gaan, liep Laurence langs. Zijn hoofd was gebogen en zijn anders zo zelfverzekerde houding was weg.
“Laurence,” riep ik hard. Hij draaide zich om. Ik zag in zijn ogen dat hij wilde vluchten, maar het zou hem nu niet lukken. “Ik zag je gisteren.” Het was een stomme opmerking, hij had mij ook gezien.
“Ja.” Zijn stem was fluisterend.
“Wat deed je in die politieauto?” vroeg ik fluisterend. Vroeger deelden we alles, maar nu leek het of hij dit niet met me wilde delen. Het leek of hij zich schaamde. Dat deed hij waarschijnlijk ook. Hij schaamde zich.
“Niets,” zei hij en toen keek hij me fel aan. “Niets wat jou aangaat. Bovendien was het een fout. Ze moesten mij niet hebben.”
“Ze moesten je broer hebben? Je tweelingbroer?” zei ik sarcastisch en ik rolde met mijn ogen. Hij had geen broer en dus ook geen tweelingbroer. “Waarom reageer je zo fel als het niets te betekenen heeft?” Er was iets, maar Laurence wilde het me niet zeggen. Waarschijnlijk zou hij zwijgen. Zou dit onze vriendschap – het prille vertrouwen – voorgoed schaden? Hij wilde me niet vertrouwen. “Laurence, het is niet erg, je hoeft je niet te schamen. Ik laat je heus niet vallen.”
“Dat zou je wel doen, Avon,” zei hij en hij keek me fel aan. “Als je alles zou weten, zou je me haten.”
Toen draaide hij zich om.
“Laurence,” zei ik. Hij reageerde niet meer, dus misschien had hij het niet gehoord. “Laurence, ik neem je niets kwalijk, echt niet.”
“Jawel, dat zou je wel doen,” waren zijn laatste woorden voor hij wegliep.
Ik staarde hem na, terwijl hij door de lange gang liep. De donkere gang en de zwart-witgeblokte tegels onder mijn voeten maakten dat het een scène uit een drama was. Ik stond midden in de gang, mensen liepen langs me, maar het kon me niets schelen. Wat was er met Laurence aan de hand? Wat was er met mijn oudste vriend aan de hand? Zou hij het me ooit vertellen?
“Avon.” Ik voelde een hand op mijn schouder en verbaasd keek ik op. De leraar wiskunde, Philip, stond achter me. We mochten meneer de Lente, zoals hij officieel heette, gewoon Philip noemen. Het was een aardige man van een jaar of veertig. Ik mocht hem graag. Hij kon goed uitleggen, wist veel over zijn vak en was niet te beroerd om extra bijles te geven aan de slechte leerlingen. Mits ze hun best deden. Als ze geen moeite voor zijn vak deden, dan hielp hij ze niet. Dat was ook logisch. “Wat doe je hier?”
“Sorry. Ik was naar het toilet geweest en ik wilde terug naar beneden gaan.” Het was een smoes, maar misschien had hij het niet door.
“Je bent er de halve les niet bij geweest. Amy heeft je spullen meegenomen. Eigenlijk zou ik je naar de conrector moeten sturen, maar ik mag je graag, dus ik zal het door de vingers zien. Voor nu.”
“Dank u.” Ik glimlachte. Philip was niet de ergste leraar van de school. Hij was begripvol. Als je om een of andere reden je huiswerk niet kon maken, dan had hij er meer begrip voor dan de meeste andere leraren. Die voelden zich duidelijk beter dan hun leerlingen. Hij niet. Vorig jaar was hij mijn mentor geweest, in de periode waarin Era overleed, en ik was hem nog steeds dankbaar ervoor.

Ik liep door de hal. Amy was nergens te bekennen, de rest ook niet. Wel zag ik iets anders wat me schokte. Era. Een foto van Era op een tafeltje midden in de hal. Haar mond lachte, haar ogen straalden. Ze lachte haar perfecte gebit bloot. In gelukkige tijden.
Een paar leerlingen stonden te kijken. Ik kon alleen maar slikken en het liefste wilde ik hard wegrennen. Het was logisch dat Era herdacht werd, maar er waren zoveel mensen die haar niet kenden en die stonden hier, zich afvragend waarom zo’n mooi meisje ongelukkig geweest was en zelfmoord gepleegd had. Niemand zou ooit snappen waarom ze het gedaan had. Het zou geen beantwoorde vraag worden, het antwoord zou uitblijven. Net zoals we nooit zouden weten of Era ooit zou gaan trouwen, kinderen zou krijgen, of ze een geweldige carrière zou krijgen. We zouden het nooit weten. Het zou stil zijn en stil blijven.
Ik kon me herinneren dat er ooit een jongen was die zelfmoord had gepleegd. Toen had er ook een tafel in de hal gestaan. Het was toen ik in de eerste zat en dat ik, Amy en Era geschrokken waren. We hadden het niet begrepen waarom. Nu zou Era het wel snappen waarom. Ik en Amy niet. Dat zouden we hopelijk ook nooit weten. Ik wilde het niet weten. Dan zou ik zover zijn dat ik ook zelfmoord kon plegen en dat wilde ik niemand aandoen, omdat ik wist hoe pijn het deed om iemand zo te verliezen. Het zou bij iedereen pijn doen iemand te verliezen, maar het was veel erger als diegene het zelf wilde.
Waarschijnlijk dachten heel veel mensen: waarom? Zoals haar vrienden – wij – dat ook dachten.
Ik kon niet wegrennen voor Era. Ik liep met lood in mijn schoenen naar de tafel toe. Ik zag een paar foto’s liggen. Een foto waar ik met Era opstond, een foto waar we met zijn drieën op stonden. Een van de mensen die ook bij de tafel stond, keek even naar me. Het meisje zei aarzelend: “Wat erg voor je vriendin.”
“Ja.”
Ik voelde een paar tranen over mijn wangen lopen. Er zouden ongetwijfeld meer tranen volgen.
“Avon.” Ik draaide me om. Achter me stond Philip. “Gecondoleerd. Als er iets is, kun je altijd bij mij terecht.”
Ik glimlachte.

Ik had alleen nooit gebruikgemaakt van zijn aanbod.

Ik vond Amy in de kantine. Aan een tafeltje samen met Zoë, Liz, Roel en een jongen die me bekend voor kwam. Hij glimlachte naar me. Het was de jongen uit het café waar Ischa werkte. Ik wist niet dat hij hier op school zat, laat staan dat hij mijn vrienden kende. Ik vroeg me af waar hij ineens vandaan kwam. Amy had het nooit over hem gehad. Of ze had het wel over hem gehad, maar ik wist niet wie hij was. Dat was natuurlijk ook wel weer zo.
Amy glimlachte naar me en wees naar mijn tas midden op de tafel. “Dank je,” zei ik.
Amy keek me aan, vragend. Ze vroeg zich vast af waarom ik zo lang weggebleven was. Haar lippen vormden de zin: waarom was je zolang weg?
Ik was blij dat ik kon liplezen. Amy’s broertje van veertien was doof en hij had mij – en Amy – leren liplezen en soms was het uitermate handig dat we die vaardigheid beheersten. In een geval als nu.
Mijn mond vormde slechts een woord: Laurence. Amy knikte begrijpend.
“Ken je Chrispin al?” vroeg Amy glimlachend, terwijl ze naar de jongen wees. “Hij woont trouwens bij jou in de buurt.”
“Ik ken hem…van gezicht.”
“Jij was pas in het café van David,” zei Chrispin glimlachend. “En noem me maar Chris. Chrispin vind ik nou niet de meest geweldige naam.” Hij trok een zuur gezicht en ik keek en Amy lachte. Ik zag dat Liz met haar ogen rolde. “Mijn ouders wilden origineel zijn.”
“Mijn ouders vonden het ook wel leuk om hun dochter een achterlijke naam te geven. Alleen die van mij kun je niet leuk afkorten. Av, Avo. Nee, dat is niets. Chris is tenminste nog normaal.”
“Mijn ouders wilden ook origineel zijn,” zei Zoë ineens en ze knipperde verleidelijk met haar ogen, terwijl ze naar Chris keek. Ze was een jongen aan het versieren, terwijl haar vriendje naast haar zat. Ik zou niet verbaasd zijn als ze regelmatig vreemdging.
“Zoë is geen bijzondere naam, ik hoor hem zo vaak,” zei Amy kattig.
Zo ging het altijd.
Ik zuchtte en haalde even adem. “Ik ga even wat eten halen hier tegenover,” zei ik, terwijl ik weer opstond en mijn tas pakte. Ik kreeg honger van de etende mensen om me heen. Tegenover onze school was een supermarkt. Iedereen ging daar altijd heen als ze iets wilden eten. We hadden wel een kantine, maar die verkocht niet erg veel.
“Neem voor mij een appel mee,” zei Amy en ze gooide me een euro toe die ik behendig opving. Ik liet hem in mijn broekzak glijden. “Dank je.”
“Ik loop mee,” zei Chris ineens. Verbaasd keek ik hem aan, maar ik knikte. Ik vond het best.
We liepen de kantine uit. Ik zwaaide naar Amy die een sip gezicht trok. Amy kennende zou ze zo naar de bibliotheek gaan of iets dergelijks.
“Hoe ken je Amy?” vroeg hij, terwijl hij me aankeek.
“Ze is al een paar jaar mijn beste vriendin. Ken haar van school. Waar ken jij haar van?”
“Voetbal van haar broertje Tim. We raakten een keer aan de praat over haar broertje en langzaam gingen we dingen buiten voetbal om doen. Ze heeft het vaak over je. Ik heb je nooit gezien op school.”
“Ik jou ook niet. Alleen van het weekend, maar dat was niet op school.”
“Heeft Ischa jou al verteld wat ze is?” Hij keek me voorzichtig aan. Waarschijnlijk was hij bang dat hij misschien een geheim zou vertellen.
“Ja, ze heeft me verteld dat ze lesbisch is,” zei ik en glimlachte, maar de glimlach was niet echt. Ik vertelde niet wat het losgemaakt had, herinneringen aan het verleden. Wat had Chris eraan?

Ze keek me aan en daarna keek ze naar haar voeten. Nieuwsgierig volgde ik haar blik die nu door de woonkamer schoot als een pingpongbal. Haar ogen bleven hangen op de piano. Daarna gingen ze door naar de plant ernaast.
“Je wilde me wat vertellen?” vroeg ik in een poging om haar te helpen. Dat had ze me gemeld daarnet. Ze wilde me wat vertellen.
“Ja. Ik ben ergens achtergekomen.” Ze keek me niet aan toen ze het zei. “Ik ben er achter gekomen dat ik nooit verliefd op jongens zal worden. Ik zal nooit normaal worden, Avon. Ik zal altijd anders zijn. Jij bent normaal, jij hebt Devi. Amy valt ook vast op jongens, maar ik niet. Ik val op meisjes. Meisjes zoals jou. Ik ben ook een meisje. Ik val op mezelf.” Ze begon te snikken en een paar tranen maakten vlekken op haar witte rok. Ik schoof dichter naar haar toe. Ik zei niets, maar trok haar tegen me aan en omhelsde haar zwijgend, terwijl haar tranen alles nat maakten. Wat maakte het uit? “Nu haat je me zeker? Iedereen zal me haten. Ze zullen me uitschelden voor pot.” Het kwam tussen een paar snikken door uit haar mond. Ik schudde mijn hoofd. Natuurlijk zou ik haar niet haten. Ze was mijn vriendin en het maakte niets uit of ze anders was. Voor mij was ze mijn vriendin en dat was ze ook wel als ze paars, groen of wit was. Ze was Era. Gewoon Era. Natuurlijk zou het wel wat raar zijn om te beseffen dat ze verliefd op mij kon worden, maar dat zei ik haar niet. Ze had het al moeilijk genoeg. Het zou overgaan bij mij en ik zou dit echt niet als een reden zien om onze vriendschap te verwerken. Dan zou ik echt laf zijn.
”Ze zullen jou niet uit gaan schelden, Era. Je bent net zo normaal als iedereen. Wat is de definitie van normaal trouwens? Vast niet ‘als je op je eigen geslacht valt ben je niet normaal.’”
“Je snapt het niet,” zei ze half huilend. “Jij valt op mannen. Zoals het hoort. Ik val op vrouwen. Hoe kun je me dan snappen? Je zou bang moeten zijn dat ik verliefd op je wordt.”
“Ben je verliefd op me dan?” Verbaasd keek ik haar aan.
“Nee, maar daar gaat het niet om. Ben je niet bang dat ik verliefd op je wordt en onze vriendschap voorgoed verpest?”
“Nee. Laurence kan toch ook verliefd op me worden? Era, je wordt echt geen stommere Era als je op vrouwen valt. Je blijft Era, mijn beste vriendin.”


Voor zover ik weet heeft ze het nooit aan iemand anders verteld. Hooguit aan Amy, maar ik weet zeker dat verder niemand het ooit heeft geweten. Daarvoor ging ze te snel dood, om het wereldkundig te maken. Zou ze zelfmoord gepleegd hebben omdat ze zich anders voelde?
Ik had ooit wel een dagboek gehad van haar, vlak na haar dood, maar gelezen had ik het nooit. Het lag nog waar ik het een jaar geleden neergelegd had, maar waar dat precies was, wist ik niet meer. Misschien had ik er naar moeten kijken en het niet als een nutteloos boekje weg moeten stoppen. Een nutteloos boekje zonder enige waarde. Het was fout geweest om dat te denken. Misschien was het wel bescherming geweest om mezelf niet nog meer te kwetsen. Het had toen teveel pijn gedaan om erin te kijken, maar nu was de pijn gesleten. Wie weet vond ik wel het antwoord waarom ze doodgegaan was. Waarom ze het gedaan had. Het antwoord dat iedereen wilde, maar niemand had. Niemand, behalve ik. Misschien. Wie weet zou ik tegen iedereen kunnen vertellen dat ik de reden wist. De echte reden van haar overlijden.
Waarom leek het alsof ik de afgelopen dagen meer dan ooit aan Era had moeten denken? Omdat er dingen waren die ik een jaar later tegenkwam, dingen die in verband met haar stonden? Was dat het of was het slecht toeval?
Hij vroeg niet wat ik van Ischa’s seksuele voorkeur vond; ik vroeg niet wat hij ervan vond. Blijkbaar vonden we het allebei niet erg anders zouden we het nu waarschijnlijk niet over haar hebben en niet met haar omgaan.
“Vind je het erg?” vroeg hij en ik hoorde de lichte aarzeling in zijn stem, maar ik negeerde het, deed alsof ik het niet hoorde. “Sommige mensen hebben een hekel aan homo’s en lesbisch.”
“Ik niet. Een van mijn beste vriendinnen was lesbisch.” Ik had het hem niet willen vertellen, maar ik had het toch gedaan en niet eens bewust. Het was niet mijn bedoeling geweest om het te zeggen. Era had nooit gezegd dat ik het tegen niemand mocht zeggen. Ik had het niet hoeven zweren, niet hoeven beloven, niets. Ik wist dat ze erop rekende dat ik het nooit door zou vertellen. Ik had het nooit gedaan. Tot vandaag, maar nu was ze dood en bovendien kende Chris haar nooit. Waarschijnlijk zou hij nooit weten over wie ik het had. Tenzij hij er met Amy over zou gaan praten, maar Amy mocht het wel weten. Ze zou beledigd zijn, boos misschien, maar achteraf zou ze het me kunnen vergeven. Daar was ik honderd procent van overtuigd. Amy zou weten dat ik het voor Era’s bestwil gedaan had, ze zou weten dat ik dingen niet doorvertelde en dat ik te vertrouwen was. Dat wist ze al. Ze had me zoveel dingen verteld. Kalverliefdes, problemen thuis, problemen met haarzelf. Ik had ze nooit aan iemand verteld. Zoals een goede vriendin niet doet. Een goede vriendin zal nooit lelijke dingen zeggen – behalve als er ruzie is, maar dan nog niet.
Ze was dood, weg, vergaan.
We liepen de supermarkt in, zwijgend. Het was geen vervelende stilte, maar ook geen stilte die ik erg fijn vond. Ik hield niet zo van stiltes met – zo goed als – vreemden. Met Era kon ik uren zwijgen.Soms zaten we de hele middag bij elkaar in stilte. Amy kon nooit zolang stil zijn en ik bij haar ook niet.
“Wat neem jij?” vroeg Chris ineens. We stonden voor de broodafdeling. Ik keek zwijgend rond. Allerlei soorten brood lachten naar me. Croissants, kaiserbroodjes, simpele witte puntjes, bruine pistoletjes.
Ik koos twee pistoletjes. Voor Amy kocht ik de beloofde appel. Amper twee minuten later stonden we weer buiten, nog steeds zwijgend.
“Waar is je beste vriendin nu? Ik dacht dat Amy je beste vriendin was, maar die is toch niet lesbisch?” Chris keek me verbaasd aan. Ik schudde mijn hoofd.
“Amy is het niet. Ik heb het over een vriendin van mij die een jaar geleden zelfmoord gepleegd heeft. En van Amy was ze ook een vriendin.”
“Heftig.”
“Ach ja, het is een jaar geleden.” Ik glimlachte, maar het was moeilijk en ik besefte ineens dat ik er niet overheen was. Nog lang niet. Ik dacht het alleen. Ik was haar vergeten om het te vergeten, maar het was niet vergeten. De pijn was nog steeds zo erg als toen. Nee, niet net zo erg. Erger. Nu waren wonden geheeld, wonden die langzaam open werden gereten en opnieuw zouden moeten genezen.
Era, ik dacht dat ik je was vergeten, dat de pijn over was. Het was een leugen. Nu pas wil ik echt de reden weten waarom je het deed.
Ik moest het dagboek vinden. Ik moest gewoon. Voor Era. Waarom zou ze het anders aan mij nagelaten hebben?

Ik zapte, er was niets op tv op dit tijdstip. Een paar halfnaakte vrouwen huppelden in een clip voorbij, terwijl ze een of ander hijgnummer zongen. Ik drukte zuchtend op de uitknop van de tv. Was ik maar naar school gegaan.
Ik wilde die morgen niet, ik was bang voor al die blikken. De medelijdende blikken. De gesprekken die achter mijn rug gevoerd zouden worden. Nu was dat ook wel zo, maar nu wist ik het niet. Amy was er ook niet. We verstopten ons voor de rest van de wereld, voor even. Ooit zouden we weer tevoorschijn moeten komen.
Net toen ik opstond om de krant te gaan lezen, ging de bel. Sloffend liep ik naar de deur toe. Ik hoopte niet dat het Devi was, ik zag er niet uit. Mijn meest oude joggingbroek bedekte mijn benen, een oud tshirtje mijn bovenlichaam.
Het was Era’s moeder. Verbaasd deed ik open. In haar handen had ze een klein pakje wat ik in mijn hand geduwd kreeg, terwijl ze huilde.
“Je bent een goede vriendin geweest, Avon,” zei ze snikkend en toen liep ze weg. Ik keek de vrouw na. Een gebroken vrouw vol verdriet.
Ik las het briefje wat bovenop het pakje zat.

Dit dagboek moet je geven aan Avon, mama. Alleen aan haar. Omdat zij weet waarom en omdat zij me niet veroordeeld. De anderen doen het wel. Misschien zou jij het zelfs doen, walgen van je eigen kind.

Op school vonden we Amy op een bankje buiten. Naast haar zat een vriend. Ze waren druk in gesprek, want ik zag Amy driftig gebaren en haar gezichtsuitdrukking veranderde van blij in boos.
“Amy,” zei ik en daarmee onderbrak ik het gesprek. De jongen keek opgelucht, Amy verbaasd. “Je appel.” Ze ving hem perfect op, maar uit haar mond kwam geen ‘dank je wel’ zoals ze normaal wel deed. Was er iets aan de hand?

Ik gooide mijn tas onder de kapstok. Ik moest dat dagboek nu zoeken,ik moest het weten. Vermoeid slofte ik de trap op. De eerste dag na het weekend was altijd zwaarder dan de rest van de dagen. De rest van de dag was Laurence onvindbaar geweest, hadden Liz, Zoë en Roel me genegeerd en deed Amy vreemd. Chris had ik ook niet meer gezien sinds de pauze. Het laatste wat ik van hem gezien was een glimlach.
Mijn kamerdeur stond open. Vreemd.Ik dacht dat ik hem die morgen dichtgedaan had, maar waarschijnlijk had de schoonmaakster hem open laten staan. Dat deed ze wel vaker. Blijkbaar had ze nooit geleerd dat je deuren ook dicht kon doen.
Ik liep naar mijn kamer. Alles was zoals ik het achtergelaten had. Er was niets opgeruimd, niets schoongemaakt. Dan had ik hem blijkbaar wel zelf open laten staan.
De kamerdeur liet een plof horen toen ik hem dicht trapte. Mijn kamer was een rommeltje. Op mijn bureau lag een gigantische hoge stapel boeken en papieren. Ik dacht even na. Hoe zag het dagboek er ook alweer uit? Ik had er nooit echt goed naar gekeken, maar had het meteen weggegooid, dus ik wist ook niet met zekerheid wat voor kleur het dagboek had. Ik meende dat het blauw was; geen idee waarom ik dat dacht. Het was meer een gevoel dan een feit.
Ik gooide wat spullen van het bureau af, maar ik vond niet wat ik zocht. Ik vond wel leerboeken, een paar aantekeningen van verschillende vakken – Nederlands, Engels en Scheikunde zag ik toen ik ze snel doorlas – en een paar oude verjaardagskaarten met ezelsoren. Een van Amy met een heel verhaal erop, eentje met poezen. Vroeger spaarde ik alles van poezen. Ik had een plakboek met honderden plaatjes. Tweehonderdnegentig. Ik heb ze ooit eens geteld.
Toen zag ik hem liggen, het dagboek.

6

I wanna tell my secrets
'Cause you're the only one
That I know will keep them
Dear, dear diary
I wanna tell my secrets
I know you'll keep them
So this is what I've done

Pink – Dear Diary


Blauw. Ik had het goed. Een blauw schrift met een stevige kaft. De kaft was leeg, er stond niet eens op dat het een dagboek was. Niets. Simpel. Simpel, daar hield Era van. Van simpel. Het verbaasde me niet dat de kaft zo leeg was.
Ik pakte het boekje op en ik voelde me ongemakkelijk, haast zenuwachtig. Wie weet wat er in zou staan. Aarzelend opende ik het.

4 januari,

Vroeger wist ik niet wat het was om anders te zijn. Ik voelde me niet anders dan anderen. Ik was een doorsnee meisje, een echt meisjemeisje. Net als Avon. Avon, mijn beste vriendin. Amy, mijn andere beste vriendin, was anders dan de meesten die ik kende. Ze was jongensachtig en gaf niets om de dingen waar wij wel wat om gaven: uiterlijk. Voetbal was haar passie zoals wij jongens onze passie noemden.

Ze was anders, dus als iemand zou weten wat anders zijn betekend, dan is zij het. Ik heb niet gevraagd hoe het is om altijd al anders te zijn. Ze zou willen weten waarom ik anders ben, maar ik weet niet waarom. Ik weet wel waarom, maar ik weet niet hoe ik het uit moet leggen.
Hoe moet ik dan vertellen dat ik me niet standaard voel? Het is goed dat ik me niet zo standaard voel, maar het voelt niet goed. Het voelt vervelend en stom. Ik wil standaard zijn, zoals anderen. De twaalfde in een dozijn, niet de dertiende. Dertien is een ongeluksgetal. Ik ben het ongeluksgetal.

Anders. Ze voelde zich anders. Niet zoals ik me voelde; ik voelde me niet anders dan anderen.

6 januari,

Ik heb het verteld aan Avon dat ik me anders voel en waarom. Mijn ‘passie’ jongens klopt niet, het is niet echt een passie. Ik vind jongens leuk, maar ik voel niets voor ze. Ik wil ze niet zoenen, ik wil niet met ze slapen. Ik wil met meisjes die dingen doen. Meisjes. Ik ben ook een meisje en ik ben verliefd op meisjes. Hoe anders kun je zijn. Ik val niet zoals normale meisjes op jongens, maar op meisjes. Waarom ik? Het kan niet zo zijn, niet ik. Ik lijk niet op het standaard, het stereotype, lesbische meisje. Ik heb geen kort haar, geen tuinbroeken. Ik draag oogschaduw. Ik draag rokjes, jurkjes. Ik heb het langste haar van ons drieën. Ik kan geen lesbi zijn. Nee. Het kan niet. Het is verbeelding.
Avon was meelevend. Ze snapte het. Zei ze. Ik blijf haar vriendin. Zei ze. Wat als ze gelogen heeft? Ze beloofde het me, maar wat als ze liegt.

Leugens

Ze verpakken ’t mooi,
vertellen mooie woorden.
Beloftes.

Ze zeggen dat ze er altijd voor je zijn,
Dat ze je nooit zullen laten vallen.
Beloftes.

Het zijn leugens met een mooi lintje.
Dingen die van buiten mooi zijn,
Maar van binnen rot en lelijk.

Ik geloof ze niet meer.
Elke keer word ik teleurgesteld in datgene,
datgene wat me niet teleur zou moeten stellen.

Wat moet ik zonder Avon? Ik kan niet zonder haar. Nee, echt niet. Niet zonder haar, niet zonder Amy. Ze zijn het belangrijkste in mijn leven. Amy weet het niet eens en ze zal het niet weten. Ik ga het niet vertellen. Dat mag Avon doen als de tijd verstreken is, de wonden geheeld. Ik kan het niet.

8 januari

Ze reed in de regen en glimlachte. De meeste mensen haten regen, maar zij hield ervan. Ze omarmde het sombere weer alsof het haar vriend was. Ze hield ervan urenlang in de regen te lopen, bij mensen naar binnen te kijken. Mensen die binnenzaten, omdat het buiten te nat was. Ze hield er vooral van als de regen viel terwijl de wereld gehuld was in duisternis.

“Avon?” Een stem liet me opschrikken. Ik liet het boekje uit mijn handen vallen. Meteen zag ik dat ik dat niet had moeten doen. Een aantal blaadjes hadden er schijnbaar los in gezeten, want nu dwarrelde er een stapeltje uit. Ik vloekte. Ik hoopte dat alles een datum had, anders was iets terug vinden onmogelijk. Opnieuw vloekte ik. Ik begon de papieren op te rapen en negeerde de oorzaak van deze miniramp: degene die me geroepen had. Ischa. Haar gestalte vulde de deuropening en ze keek me verontschuldigend aan. Verbaasd keek ik naar haar. Hoe wist ze mijn adres? Had ik dat gezegd in mijn dronken bui? Als ik dat had gedaan wie weet wat ik nog meer gedaan had – of wie ik nog meer mijn persoonlijke gegevens had gegeven – en niemand kon het vertellen. Misschien had ik nu wel potentiële moordenaars achter me aan.
Verdomme. Avon, je bent een domme koe.
“Moet ik helpen?” vroeg Ischa, terwijl ze lief glimlachte.
“Nee,” zei ik en ik probeerde mijn irritaties te negeren. “Wat kom je doen?” Het kwam er niet aardig uit, maar het kon me niet schelen.
“Ik kwam vragen of je mee wil naar de stad.”
Ik schudde mijn hoofd. Ik had geen zin en ik wilde verder lezen in het dagboek. “Nee, ik heb geen zin. Sorry.”
Ischa haalde haar schouders op. Ze was niet beledigd of iets, ze reageerde droog en koel. “Dan niet.” Zonder een verdere groet liep ze weg. Ik keek haar niet na. In plaats daarvan begon ik de blaadjes uit te zoeken. Ik keek of ze nog goed lagen en gelukkig voor mij was het zo. Ik pakte een broos velletje. 24 februari. Blijkbaar had ze tussen de twee data niet meer geschreven, want na een blik tussen de andere velletjes, bleek dat de andere pagina’s er niet waren. Ze had ze waarschijnlijk niet geschreven.

24 februari

Soms denk ik: laat alles maar, ik wil niet meer. Ik stop ermee, ik vlieg weg naar andere plekken. Een plek waar ik het fijn heb. Een plek waar ik nooit somber of verdrietig hoef te zijn. Een plek waar ik nooit meer hoef te huilen. Een plek waar geen tranen zullen vloeien of waar ik geen behoefte heb om dingen te doen die ik eigenlijk niet in mijn hoofd zou moeten hebben. Ik zou er niet aan moeten denken, maar moeten lachen. Het lukt me alleen niet om te lachen.

Wegvliegen als een vlinder, zo vol geluk.
Wegvliegen als een vogel, zo vrij.
Wegvliegen zonder vleugels, op wolken

Ik werd net zo boos op mezelf. Zomaar ineens. Ik word vaker boos, maar niet zo boos. Het heeft me wat krassen opgeleverd. Meer niet. Een paar krassen teveel.

Ik wil gewoon kunnen praten en niet alleen kunnen typen over hoe ik me voel. Ik wil echt praten. Praten tot ik een ons weeg. Ik wil zeggen als iets me dwars zit. Ik wil niet boos op mezelf zijn.

Ik wil niet anders zijn. Als ik anders moet zijn, hoeft het voor mij niet meer.

25 februari

Amy weet van niets. Ik ben ervan overtuigd dat Avon haar mond gehouden heeft. Anders kan ze goed toneelspelen. Ik zou leugens in haar ogen zien, dus ze weet van niets.
Met de dag voel ik me rotter. Elke dag besef ik me dat ik anders ben.
- Als ik een verliefd stelletje op straat zie.
- Als ik een jongen en een meisje zie kussen in de disco.
- Als ik benaderd word door jongens. (Dat gebeurt vaak, blijkbaar vinden jongens me nogal leuk)
- Als vriendinnen het over jongens hebben

26 februari

Het wordt moeilijker om te zwijgen tegen iedereen die ik lief heb. Ik wil niet zwijgen, ik wil ze vertellen dat ik op vrouwen val, maar ze zullen me haten en uitkotsen. Ze zullen me gaan pesten en me aankijken alsof ik een vies wezen ben. Mijn ouders zullen het nooit, maar dan ook nooit accepteren. Ik kan me het gesprek van gisteren tijdens het avondeten nog herinneren.
Vader: “Vanmiddag waren er twee vrouwen in de poolhal, overduidelijk lesbisch. Ze zaten de hele tijd te kleffen met elkaar. Ik werd er misselijk van. Je zoon of dochter zal maar homo of lesbisch zijn. Dat lijkt me zo erg.”
Mijn moeder knikte. “Ik zou me doodschamen.”
Lotte zei niet veel, maar at stug door.
Het was alsof ze het wisten, alsof ze wisten wat ik werkelijk ben. Het is onmogelijk. Avon is de enige die het weet.
Ik wil eerlijk zijn, maar ik durf niet. Ik heb een mailtje geschreven die ik naar Amy wilde sturen.

Lieve Amy,

Ik schrijf dit, omdat ik je het niet kan vertellen. Ik krijg het niet over mijn lippen. Ik moet het schrijven, typen met woorden en niet zeggen met mijn stem. Het is te moeilijk om uit te spreken, terwijl jij me afwachtend aan kijkt en me daarna misschien wel haat.

Amy, ik ben anders dan dat jij bent. Zeg niet: niemand is hetzelfde. Dat weet ik, maar ik ben echt anders dan andere meisjes. Er zijn ook meisjes die net zo zijn als mij, natuurlijk. Ik ben niet de enige. Zo voelt het alleen wel. Alsof alleen ik op vrouwen val. Had je nooit verwacht, zeker? Ik ben niet het stereotype lesbi, maar ik ben het. Ik weet het zeker.
Het is geen bevlieging zoals sommige meiden op school nu ineens op meisjes vallen. Alleen om jongens op te geilen, terwijl ze eigenlijk gewoon op jongens vallen. Nee, het is zeker. Jammer genoeg wel.

Waarom val ik nu ineens op meisjes? Ik zie je denken. Ik hoor je hersenen kraken. Ik heb me altijd anders gevoeld, Amy. Ik wilde het alleen nooit laten merken en ik wist ook niet waarom ik me anders voelde, maar nu weet ik het. Ik val niet op jongens. Dat is wat me anders maakt.

Ik zal nooit meer met jullie zwijmelen, kwijlen over jongens. Ik kan verliefd op je worden (wat niet de bedoeling is en ik ben het ook niet). Ik ben anders.

Je mag me haten, me een ‘vieze pot’ vinden, me mijden, me negeren. Ik ben niet de baas over jouw gedachten. Ik kan je niet dwingen me niet uit te kotsen, me niet te haten. Het zou me ongelofelijk veel pijn doen als je me zou laten vallen, maar dan is het niet anders. Ik ben eerlijk geweest.
Is eerlijkheid in een vriendschap niet het belangrijkste?

Wees jij ook alsjeblieft eerlijk, Amy, als je me haat.

Era

Ik voelde tranen over mijn wangen lopen. Ik huilde zelden, maar nu huilde ik. Ik zag voor me hoe Era in haar kamer dit opschreef. Haar gevoelens. Haar brief was verdrietig.
Een klein meisje wat anders is, verloren in een boze en harde wereld die haar niet echt accepteert.
Just a little girl.
Amy zou haar niet hebben laten vallen. Nooit. Dat had ze niet gedaan en als ze het wel had gedaan, had ik moeten kiezen tussen Era, mijn tutvriendinnetje, en Amy, mijn jongensachtige vriendinnetje die over andere zaken dan schoonheid kon praten. Met Era kon ik ook wel over andere dingen kunnen praten dan uiterlijk, maar toch kwamen we daar altijd op uit. Gelukkig had ik het nooit hoeven doen.
Ik sloeg de bladzijde om.

30 maart.

Ik weet het zeker. Ik wil niet meer. Ik wil niet doorleven. Niet zolang ik ben zoals ik ben en ik op vrouwen val. Sommige mensen haten zichzelf, omdat ze een grote neus hebben. Over mijn uiterlijk ben ik tevreden. Ik vind mijn benen mooi slank, mijn haar mooi, glanzend en zacht. Ik vind de aquamarijnkleurige
ogen mooi. Ik houd van mijn neus, niet te groot en niet te klein. Ik ben tevreden over dat wat mensen meteen zien, maar over dat wat ik verborgen houd, ben ik niet tevreden.
Dat haat ik.
Het liefst zou ik nu een schaar in mijn polsen zetten en mezelf dood laten bloeden, maar ik weet dat het niet kan. Ik kan het niet. Daar ben ik te zwak voor.

3 april.

Lieve Avon en Amy,

Ik wil echt niet meer. Ik voel me zo anders dan jullie en ik kan er niet mee leven dat ik anders ben. Ik kan het gewoon niet. Neem me niets kwalijk; ik houd van jullie. Ik ben alleen bang dat jullie me zullen laten vallen als het uitkomt wat ik ben. Een lesbi. Een vieze pot. Misschien doen jullie het niet, misschien wel. Mensen zijn onvoorspelbaar, jullie dus ook. Wat kan ik verwachten? Avon reageerde goed erop en ik denk jij ook wel Amy, maar zeker weten doe ik het niet.

Mijn ouders haten mensen zoals ik en ze zouden het nooit accepteren dat hun dochter op vrouwen valt. Nooit. Ikzelf ook niet. Ik wil het niet. Ik wil hetero zijn en anders hoeft het niet van mij. Vind me alsjeblieft niet laf. Denk niet: ze had het nog kunnen proberen als ze het had gewild, als ze niet meteen zo’n besluit had genomen. Neem me niet kwalijk dat ik niet verder wil of dat ik een foute beslissing neem.
Ik weet dat ik een foute beslissing neem, een waarbij ik heel veel mensen verdriet ga doen, maar ik kan niet opbrengen om verder te leven voor anderen. Ik ben misschien een egoïst omdat ik zelfmoord pleeg. Als ik het niet zou doen voor jullie, zijn jullie egoïsten. Er zal altijd een egoïst zijn.

Ik zal jullie ergens terug zien.

Vergeet me niet.

Era.
Het laatste blaadje. Daarna waren er geen blaadjes meer beschreven. Ik staarde ernaar. Dit was haar afscheidsbrief geweest. Hoe eenzaam had ze zich gevoeld toen ze dit schreef? Vast heel eenzaam. Ik voelde verdriet om haar. Ze had het gewoon tegen ons kunnen vertellen, dan was alles goed geweest. We hadden haar niet laten vallen.
Ik sprong op. Amy had recht om dit te weten.

7

When it hasn’t been your day, your week, your month, or even your year,
But I’ll be there for you
When the rain starts to pour
I’ll be there for you
Like i’ve been there before
I’ll be there for you
‘Cause you’re there for me too

The Rembrandts - I’ll be there for you


Amy keek me verbaasd aan toen ik voor de deur stond. Haar haren zaten door de war en haar trui zat achterstevoren. Blijkbaar had ze zich nogal snel aangekleed toen de bel ging. Ze vroeg nog net niet wat ik kwam doen.
“Ik heb wat voor je,” zei ik en ik stak haar het boekje toe. Verbaasd pakte ze het aan. Haar ogen vroegen: “Wat is het?” Haar mond vroeg niets.
“Het is het dagboek van Era en waarom ze zelfmoord gepleegd heeft.”
“O.” Ze keek me weer aan.
Ik had een andere reactie van haar verwacht. “Waarom zit je haar zo door de war?” vroeg ik, terwijl ik verbaasd naar haar keek. Ze werd rood.
“Ik kom net onder de douche vandaan. Vandaar.”
“Ah,” zei ik, in een slappe poging om haar te geloven. Dat deed ik niet. Ik geloofde er geen woord van. Waarom was haar haar niet nat als ze net gedoucht had? Ik wist dat Amy altijd tijdens het douchen haar haren waste. Dat had ik zo vaak gezien bij gym. Ze was de enige die zich douchte. Bovendien had ze het zelf weleens gezegd. Zulke dingen – dingen die er niets toededen – onthield ik. Stomme dingen bleven in mijn geheugen hangen. Dingen zoals welk geurtje Laurence gebruikte, hoe Liz haar schoenen veterde. Allemaal dingen die niet boeiend of handig waren. Het zou handig zijn als ik de eerste dertien staten van Amerika zou weten voor Amerikakunde. Het zou ook handig zijn als ik de spellingsregels van Nederlands nou eens correct leerde. Daar kon ik tenminste wat mee. Algemene kennis, maar het was geen algemene kennis hoe Liz haar veters strikte.
Ik staarde naar mijn beste vriendin en voor het eerst van mijn leven wist ik niets te zeggen. Zij blijkbaar ook niet, want zij zweeg net zo goed. Meestal vroeg ze me binnen, maar nu niet. Ze glimlachte alleen schaapachtig.
“Ik ga. Doei, Amy.”
“Dag Avon,” zei ze zachtjes. Ik hoorde de verdrietige toon in haar stem niet. Waarom zou ik ook?

Ik liep naar het park achter de straat waar Amy en Laurence woonden. Laurence woonde alleen veel verder van het park af, omdat de straat ontzettend lang was. Een straat waar veel statige en vooral dure huizen stonden was het.
Vroeger had ik hier zoveel gespeeld. Aan het begin van het park stonden twee kastanjebomen. Iets wat overduidelijk was, gezien de kastanjes op de grond. Er krioelden geen kinderen rond de bomen. Waarschijnlijk omdat het een doordeweekse dag was. Op zaterdag zou het vast drukker zijn in het park. Ik bukte en raapte er eentje op. Vroeger verzamelde ik, meestal in dit park, altijd kastanjes, eikels. Manden vol die ik op de kinderboerderij aan de andere kant van het park, inleverde. Voor elke kastanje kreeg je een dubbeltje, voor de eikels en beukennootjes een stuiver. En soms kregen we in plaats van geld een ijsje.
De kastanje verdween in mijn zak en ik liep verder het park in, terwijl ik zacht zuchtte. Toen ik negen was, wilde ik groot zijn. Groot genoeg om niet meer verplicht naar mijn ouders en leraren te hoeven luisteren. Groot genoegen om zelf te beslissen of ik mezelf misselijk zou eten aan pepernoten of ijs. En nu?
Ik was groot genoeg om al die dingen te beslissen, maar ik wilde dat ik klein was en dat ik die keuzes niet hoefde te maken. Eigenlijk wilde ik toch niet echt groot worden. Ik wilde klein blijven. Wie niet?
Toen vlogen mijn gedachten weg van mijn jeugd in dit park na dingen die later in dit park gebeurd waren en die een grote invloed hadden gehad op mijn leven. Dingen waaraan ik tijden niet gedacht had.

Ik lachte; ik giechelde niet zoals andere meisjes. Ik lachte. Amy zat naast me. In haar hand hield ze een flesje bier. Ik hield een sigaret vast. Zijn sigaret. Die van Devi. Devi zat aan de andere kant van mij, samen met twee vrienden van hem. Ik had geen idee wat hun namen waren. Ze hadden het gezegd, maar ik was ze vergeten. Tussen ons in was een kampvuur wat Devi en zijn vrienden aan hielden. Een van zijn vrienden vond Amy wel boeiend en hij zat steeds aan haar te plukken en zij aan hem. Ik keek er met afschuw naar. Niet omdat ik een hekel aan zoenen en klef doen in het openbaar, maar omdat het Amy was. Ik gunde haar heus wel een vriendje, maar Amy was geen meisje wat zomaar met jongens in een park zou zitten en bier zou drinken. Ze was het type meisje wat voetbalde, wat geen moeite deed voor haar kleren en waarvan je zou verwachten dat ze lesbisch zou zijn. Ze was blijkbaar niet lesbisch. Niet dat ik dat ooit had gedacht, maar anderen misschien wel.
Devi zoende me in mijn nek. “Zullen we een stukje lopen?” zei hij en hij hielp me overeind. Ik giechelde. We liepen weg van het vuur.

Ik voelde hoe de grond veerde, terwijl ik er bovenop liep. Een hoofd vol loodzware gedachten. Dat had ik. Gedachten aan vroeger.
“Avon.” Iemand riep me. Ik keek op. Het was Amy. Verbaasd keek ik naar haar. Hoe wist ze dat ik hier was? Had ze me hier soms heen zien lopen?
“Amy,” zei ik verbaasd.
“Sorry dat ik net zo bot deed. Ik was alleen met andere zaken bezig. Niet met douchen.” Ze keek naar haar schoenen. Was het zo erg, vroeg ik me af. Zo erg dat ze me niet aan durfde te kijken? Wat had ze gedaan? Ze gaf er geen uitleg over. “Ik heb het dagboek snel doorgelezen. Era heeft zelfmoord gepleegd, omdat ze lesbisch was en jij wist het. JIJ WIST VERDOMME DE REDEN! AL DIE TIJD!” Woede, afschuw doorklonk in haar stem. “Ik had niet verwacht dat je zoiets voor me verborgen zou houden.” Amy’s tranen rolden over haar wangen en ik schrok. Ik had haar wel vaker zien huilen, maar niet zo. Niet op deze manier. “Waarom deed je dat, Avon? Jij zei tegen niemand waarom ze zelfmoord had gepleegd.”
“Ik wist het niet. Ik kwam er pas achter nadat ik dat dagboek gelezen had. Vandaag dus. Echt. Ja, ik wist dat ze lesbisch was, maar ik wist niet dat dat de reden was waarom ze zelfmoord gepleegd had. Daar moet je me niet om veroordelen. Ik kon toch datgene toch niet zeggen wat ze me in vertrouwen had verteld? Wat voor vriendin zou ik dan zijn?”
“Een rotvriendin.” Ze was wat gekalmeerd.
“Ja. Ik kon dat toch niet doen, Amy? Ik zou mezelf haten als ik zoiets door zou vertellen. Als ik dat geweten dat dit de reden was, zou ik het meteen verteld hebben, maar ik wilde negeren dat ze dood was. Ik wilde het niet onder ogen zien dat ze het zelf gedaan had. Het was te gruwelijk. Vooral omdat ze zo gelukkig leek.”
“Schijn bedriegt,” fluisterde Amy zacht. “Blijkbaar kon ze heel goed de schijn erop houden.” Verdriet klonk in haar stem door. “Ik wilde dat ze het ons verteld had hoe ze zich echt voelde. Ze had ons moeten vertrouwen. We zouden haar gesteund hebben. Ze had geen zelfmoord hoeven plegen. Met zijn drieën zouden we er zijn uitgekomen. Ze was geen andere Era, ook al viel ze op vrouwen.”
Ik voelde ook de tranen over mijn wangen lopen en samen huilden we. Voor het eerst sinds de begrafenis huilden we, hadden we het echt over haar. Hoe ver we van elkaar verwijderd waren een jaar geleden, zo dichtbij elkaar waren we nu weer.
“Beloof me dat als jij je zo rot voelt als Era zich voelde, je het aan mij vertelt. Desnoods in een mailtje of in een brief.”
“Jij moet het ook beloven.”
Ik maakte een V van mijn vinger en tufte erdoorheen. Amy deed hetzelfde. Beloofd.

Ik glimlachte toen ik de voordeur opendeed. Het voelde goed dat we het gesprek in het park gehad hadden. We waren weer dichterbij elkaar. Het goede gevoel zou alleen niet lang blijven. Ik zag dat bij de telefoon een briefje lag. Mijn moeder haar handschrift.
Avon, we zijn naar het politiebureau. Bryan is opgepakt.
Bryan opgepakt? Wat had hij gedaan? Wat was er gebeurd? Geschokt bleef ik naar het briefje staren. Al mijn gedachtes vielen over elkaar. Waarom gebeurde er ineens zo ontzettend veel in mijn leven? Ik had altijd gedacht dat mijn leven maar een dode en suffe boel was, maar dat was de laatste paar jaren wel anders geweest. Er waren rustige periodes geweest. Periodes waarin ik verliefd was en waarin de wereld roze was. Er waren ook drukke periodes. Zoals nu. Periodes waarin van alles en nog wat gebeurde en waarin de wereld in felle kleuren geschilderd was. Schreeuwende felle kleuren. Soms zat zwart er ook bij. Zoals nu. Mijn broer was opgepakt, drie van mijn vrienden negeerden me, omdat ik ze zou stalken, mijn beste vriend ontliep me met een onduidelijke reden en ineens dook mijn ex overal op.
Moest ik naar het politiebureau of was het beter om te wachten hier thuis? Mijn ouders zouden het vast fijn vinden als ik naar ze toekwam, dus ik pakte mijn fiets uit de schuur en reed door de straten. Alles was hetzelfde, maar ook zo anders dan gisteren, dan vorig jaar. De blaadjes zouden vallen dit jaar, de sneeuw zou de straten wit maken, de mensen zouden smelten van de warmte, de vogels zouden uit hun ei komen. Zoals het al jaren, eeuwen, was. Dat was hetzelfde, maar de dingen die gebeurden, waren anders.
Elke seconde veranderen er dingen.

Mijn ouders zaten op de gang toen ik aankwam. Hijgend stond ik voor ze. Mijn moeder omhelsde me niet, maar wees zwijgend op de stoel naast haar. Wat was er aan de hand?
“Waarom is Bryan opgepakt?” vroeg ik aarzelend. Wilde ik het weten?
“Hij wordt verdacht van drugshandel. Zijn advocaat praat nu met hem.”
“Drugs?” Het leek of de wereld onder me weg geslagen werd.
Bryan was altijd antidrugs geweest. Hij had altijd gezegd dat het voor domme, onnozele mensen was. Mensen die niets van hun leven wilden maken. “Drugs?” vroeg ik nog een keer fluisterend.
“Ja, lieverd. Hij is opgepakt toen hij drugs aan het dealen was, dus de rechter zal hem hoe dan ook schuldig bevinden.” Ze keek naar me. Ik zag tranen in haar ogen. “Wie had dat nou van Bryan verwacht? Hij leek alles zo goed voor elkaar te hebben en dan zoiets.” Ze slikte.
Op dat moment kwam Laurence het politiebureau in. Zijn blik was verwilderd, angstig. Hij zag mij en hij was overduidelijk overrompeld. Ik net zo goed.
“H-hallo, Avon, meneer en mevrouw Zomers.” Hij leek zenuwachtig te zijn. Ik hoorde gehakkel in zijn stem. “W-wat erg van Bryan. D-dat moet een schok voor u zijn.” Mijn moeder knikte. “Avon, kan ik je even spreken?”
Ik liep weg, achter Laurence aan. We liepen naar buiten. Waarschijnlijk was het iets wat mijn ouders niet mochten horen. “Wat is er, Laurence? Wat moest je me zonodig vertellen en waarvoor je helemaal naar het politiebureau komt?”
Hij sloeg zijn ogen neer. “Ik kwam voor Bryan, maar schrok toen ik jou zag. Ik had je moeten verwachten hier, maar ik verwachte je niet.”
“Waarom kwam je voor Bryan? Ik wist niet dat je zo close met hem bent.”
“Ben ik ook niet.” Even keek hij me aan, maar toen sloeg hij zijn ogen weer neer. “Je bent zeker benieuwd naar wat ik gedaan heb?” Ik knikte, maar ik zei niets. Laurence staarde naar de grond, maar hij moest gezien hebben dat ik knikte. Hij ging namelijk verder met zijn verhaal. “I-ik…heb Bryan geholpen met het drugsdealen.”
“Jij?” fluisterde ik en opnieuw wist ik niet wat ik moest voelen. Eerst mijn broer die in de drugswereld zat, nu mijn beste vriend. Was Amy soms de volgende of zo? “Waarom, Laurence?”
“Geld, ik rook geld. Ik wilde gemakkelijk geld verdienen. Geld was het lokmiddel. Avon, het spijt me.” Midden op straat – tussen de mensen – barstte hij in snikken uit.
Ik had eigenlijk nooit een jongen zien huilen. Moest ik hem omhelzen of moest hij een rotcrimineel zijn? Moest ik nu zeggen dat hij op kon rotten en vooral niet terug hoefde te komen? Kon ik dat zeggen tegen mijn oudste vriend? Wilde ik dat zeggen tegen hem?
“Ik heb het nooit willen doen, maar toen Bryan zo overtuigend over de bedragen sprak, werd ik hebberig. Ik zou de beste surfspullen kunnen kopen. Ik zou elke avond uit kunnen gaan, over een paar jaar een mooi huis hebben. Ik zwichtte. Ik ben een lafaard, Avon.”
“Ja, dat ben je,” zei ik en mijn stem klonk koud. “Het is een schok voor me. Van zowel jou als Bryan. Ik had dat van jullie nooit verwacht. Niet van mensen die ik dacht te kennen. Ik ken ze blijkbaar niet.”
“Avon,” zei Laurence en hij zuchtte. Het was een verdrietige zucht. “Het spijt me echt.”
“Aan spijt heb ik niet veel,” snauwde ik.
“Ik weet het. Ik zal met spijt ook niet onder een straf uitkomen. Een straf die mijn leven zal verpesten. Een foute keuze die ik maakte is fataal voor de rest van de toekomst. Net zoals Devi aan drugs begon. Dat was ook een foute keuze. Net zo fout. Avon, accepteer mijn excuses alsjeblieft. Je moet me niet zien als de crimineel, ik ben nog steeds Laurence, maar eentje met fouten en gebreken. Jij bent ook niet perfect. Jij hebt ook genoeg foute keuzes gemaakt, maar daar heb ik je nooit om veroordeeld.”
“Laat mijn keuzes erbuiten! Ik heb nooit zo’n foute keuze als jij deed, gemaakt!”
Ik draaide me om en liep naar mijn fiets. Ik moest alleen zijn. Zonder wie dan ook.
“Avon!”
“Laat me met rust!” schreeuwde ik terug.

Ooit kon ik mensen met mijn lach blij maken, maar ik betwijfelde of me dat nu nog zou lukken. Waarschijnlijk kon ik niet eens mezelf blij maken met mijn lachen. Ik fietste zonder te weten waar ik fietste, zonder te weten waar ik was of hoe ik er precies was gekomen. Mijn donkere haren waaiden door elkaar door de wind. Ik wist niet meer wat ik moest doen, wat ik moest denken. Mijn broer en mijn beste vriend waren drugsdealers, mijn beste vriendin had zelfmoord gepleegd, omdat ze ‘anders’ was. Alles wat ooit iets was, was weg.
Tranen liepen over mijn wangen. Ik voelde hoe af en toe blaadjes op mijn hoofd landden. Het kon me niet schelen. Dat mijn mascara uitliep, kon me ook niet schelen. Niets kon me schelen. Mijn geest en gedachten waren verdoofd. Ik kon niet schreeuwen, niet boos zijn. Er konden alleen tranen over mijn wangen lopen. Tranen die ik niet wilde huilen. Ik wilde een vriendje. Eentje die zijn armen om me heen zou slaan, geen verklaring zou willen waarom ik me zo voelde, maar me gewoon knuffelde.
“Ik mis je, Devi,” snikte ik ineens zomaar uit het niets. “Ik mis je zo erg. Waarom ging het uit?” Ik had hem in die tijd amper gemist, maar nu miste ik hem des te harder. Misschien zou hij de beweegredenen van Laurence en Bryan wel snappen. Waarom ze het gedaan hadden. Ik deed het niet. “En jou mis ik ook, Era. Jullie alle twee. En nu, nu moet ik nog twee mensen van wie ik houd, missen.”
Waarschijnlijk kwam ik over als een gek, een iemand die in zichzelf praatte, omdat ze gek was. Ik was niet gek, alleen ontzettend verdrietig en teleurgesteld. In mijn hoofd kwamen een paar zinnen op.
‘Laat me gaan, laat me wegvliegen door de lucht, maar vergeet me niet. Vergeet niet wie ik was, hoe ik rook voor alles begon te eindigen. Onthoud alles van het begin, het begin toen alles nog goed was. Toen we nog niet dansten op een flinterdun versleten koord, maar toen het koord nog dik en onversleten was. Toen alles onverwoestbaar leek. Denk daar aan en glimlach zoals in het begin. Denk dat dit het begin is, niet het einde.’
Misschien had ik ze ooit in een songtekst gehoord, misschien had iemand ze ooit gezegd. Ik wist niet waar ze vandaan kwamen, maar de woorden en de boodschap waren waar. Ik zou Bryan en Laurence niet voor altijd verliezen, maar ze zouden veranderen. Devi was ik misschien ook niet voor altijd kwijt, maar Era wel. Waarschijnlijk sneller dan dat ik zou doen. Laurence zou sneller volwassen worden door dit alles. Hij zou waarschijnlijk in een jeugdgevangenis terechtkomen. Ik had er weleens programma’s over gezien. Het was daar keihard. Ik voelde medelijden met hem. Misschien zou het wel erger worden door die gevangenis. Ik moest positief denken. Ik hoorde het Era zeggen. Ze zei altijd: “Wees positief als alles tegenzit en wacht tot de zon weer achter de wolken tevoorschijn komt. Dat zal altijd gebeuren.”
De zon zal weer achter de wolken tevoorschijn komen.
Ik wilde naar huis terugfietsen, maar dat deed ik niet en ik ging terug naar het politiebureau. Laurence stond nog steeds buiten. Ik zette mijn fiets in een van de fietsklemmen. Laurence volgde mijn bewegingen en ik liep naar hem toe.
“Sorry,” zei hij nogmaals, maar ik schudde mijn hoofd en omhelsde hem.
“Het geeft niet.”
“Dat doet het wel. Avon, toen ik ja zei dacht ik niet aan de gevolgen. Alleen aan mezelf. Ik ben een egoïst. Ik had aan jou, aan mijn ouders, aan Roel moeten denken en niet aan Laurence.”
Zwijgend liepen we naar binnen. Mijn ouders zaten nog op de stoeltjes. Tegenover hen zat een streng uitziende man die ik niet kende. Waarschijnlijk was het de advocaat van Bryan. Mijn vader zag me en zwaaide. Ik zwaaide terug en gebaarde dat ik wegging. Hij knikte.
“Ga je mee, Laurence?”
“Ja, is goed.”

Ik zat op een bankje in het park een tijdschrift te lezen toen er ineens een schaduw over mijn blad viel. Verbaasd keek ik op. Ischa stond voor me. Het was alweer een tijd geleden dat ik haar gezien had. De eerste keer dat ik haar zag, leek uit een ander leven. Toen wist ik nog niet hoe Bryan aan zijn dure huis kwam. Toen was ik nog vol vertrouwen in mijn grote broer. Nu niet meer. Ik hield nog steeds van hem, maar hij was niet meer de persoon die hij eerst was.
“Hoi.” Ze glimlachte. “Een tijd geleden.”
“Ja,” zei ik aarzelend.
“Zullen we wat gaan drinken? Ik betaal,” zei ze glimlachend. Ik haalde mijn schouders op; ik vond het goed. Het tijdschrift sloeg ik dicht en ik stond op.
“Bij het parkrestaurant?” vroeg ik. Ze glimlachte even en schudde toen haar hoofd.
“Op een veel mooiere plek. Volg me maar.”

8

Though I don’t like you anymore
You lying, trying waste of space
You’re one of God’s mistakes
You crying, tragic waste of skin

Song to say goodbye – Placebo

Ik volgde haar. Iets anders kon ik niet. Ik was nieuwsgierig. We liepen door straten en ineens stonden we voor een rode voordeur in een keurige voortuin in een buurt die voor truttig door kon gaan.
“Hier is het.” Ze glimlachte. “Mijn huis. Dat is veel mooier dan het parkrestaurant.” Ik keek naar het huis. Het was wel leuk, maar niet superbijzonder of zo. Ik werd er niet warm of koud van. Ze stak de sleutel in het slot en duwde de deur open. Ik stapte naar binnen. De gang was lang en smal. Een trap aan de rechterkant leidde naar boven. Links en rechts zaten een stuk of drie deuren. Aan de linkerkant hing ook een kapstok met wat jassen en een schoenenrek eronder. Er stonden drie paar pumps op, een paar sportschoenen en een paar laarzen. Ik vroeg me af of ze allemaal van Ischa waren. Ik wist eigenlijk niet eens of ze hier alleen woonde of dat haar ouders hier ook nog woonden of andere huisgenoten. Het enige persoonlijke wat ik van haar wist was dat ze lesbisch was.
“Ga de trap maar op en dan moet je meteen de eerste deur links hebben. Dat is mijn slaapkamer.”
Ik knikte en liep de trap op. Sommige treden kraakten, andere waren stil toen ik erover heen liep.
De trap was bekleed met een rode traploper. Alles was keurig onderhouden. De muren waren wit en kaal. Nergens hing een schilderij of enige andere versiering. De deur links was wit. Alle deuren die op de overloop uitkwamen, waren wit aan de buitenkant.
Ik deed de deur open, precies zoals Ischa gezegd had. Ik verwachtte een meisjeskamer met pastelkleurige of witte muren, een bed, een boekenkast, een bureau en een kledingkast. Zoiets als mijn kamer. De muren waren rood, op de grond lag een lichte vloer van hout. De meubelstukken die ik dacht te zullen zien, waren bijna niet aanwezig. Er was alleen een rond tweepersoonsbed wat midden in de kamer stond. Langs een van de muren stond een laag kastje van staal. Ik herkende het: het was een kast van een bekend woonwarenhuis.
Bryan had ook zoiets in zijn huis. Bryan. Ik slikte. Wat zou er eigenlijk gaan gebeuren met zijn huis als hij in de gevangenis zat? Het zou vast onderzocht worden op drugs, misschien op kwekerijen of laboratoria, maar wat daarna? Moesten we het laten verstoffen, onbewoonbaar laten worden, terwijl hij in de gevangenis zat? Ik kon vragen of ik er zolang in zou mogen wonen. Misschien kon Amy dan bij me komen wonen. We zouden elke nacht feesten, mensen uitnodigen, bekend staan als feestbeesten. Ik zag het voor me. Het was beslist een goed plan.
Op het kastje stond een televisie, een wekker, een paar boeken. Zo te zien had ze me verwacht. In haar hele kamer stonden kaarsjes. Op de grond, in de vensterbank. De gordijnen waren dichtgetrokken waardoor het donker leek. Een onverklaarbare rilling trok door me heen. Het was geen fijne rilling.
Was dit voor mij bedoeld? Was ze me aan het versieren of was dit gewoon uit vriendschappelijk oogpunt? Amy had zoiets nooit gedaan, maar zij hield sowieso niet van kaarsen. Era ook niet.Bovendien was ieder mens anders. Misschien was dit Ischa’s manier voor vriendschap. Ik stond op en was net bij de boeken toen ze binnenkwam. Ze zei iets, maar ik hoorde het niet. Haar woorden bleven ergens hangen in de ruimte. Ik was gefocust op een ding. Een ding wat bovenop de boeken lag. Een kleine zwarte mobiel. Ik pakte het ding op, voorbereid op het ergste. Was dit…? Hoe kwam het hier? Ik wilde het ding openklappen, zekerheid hebben, maar ineens greep ze het uit mijn handen. Ik keek op. Haar blik was ijzig en koud en verontrustte me.
“Ik zit ook niet aan jouw spullen,” zei ze, terwijl ze me boos aankeek. “Of wel soms?”
Ik wilde zeggen dat het mobieltje verdomd veel op die van mij leek, maar dat zou als een beschuldiging aan komen, dus ik zei alleen: “Grappig dat ik ook zo’n mobieltje had.”
Ze knikte en glimlachte. De kilheid verdween. “Wat vind je van mijn kamer?”
“Mooi. Vooral je bed.” Ik deed alsof ik het voorval met het telefoontje geloofde, ik deed alsof. Straks als ik genoeg toneelgespeeld had en ze even naar het toilet ging, zou ik wraak nemen.
“Dank je.” Ze had het niet door – ik was een verdomd goede actrice blijkbaar – of zij deed alsof ze het niet door had – dan was zij ook een verdomd goede actrice – en speelden we beiden het spel. “Wil je wat drinken?”
Ze wees op een fles wijn die ze in haar hand had. “Op dit tijdstip?” Ik keek haar verbaasd aan. Ik dronk niet veel, eigenlijk alleen maar op feestjes, en zeker niet overdag. “Ik weet niet.”
“Op het feest van Bryan had je er geen moeite mee. Kom op, Avon.” Ze pakte mijn hand beet en glimlachte. Ik moest niet dronken worden, dan zu ik niet meer helder na kunnen denken. Alleen zij moest dronken worden.
“Oke dan.”
Ze liep naar het witte kastje en haalde er twee wijnglazen uit. Ze schonk ze vol en gaf er een aan mij. Daarna liep ze naar het bed, ging zitten en klopte op de plek naast haar. “Kom zitten. Je blijft toch niet staan, Avon?”

Ik lachte, terwijl ik naar het plafond keek. Er waren lichtgevende sterren op geplakt in alle kleuren. Die had ik vroeger in mijn kamer ook gehad. Vroeger. Wat was dat lang geleden.
“Hoeveel hebben we gedronken?” vroeg ik, terwijl ik zo goed mogelijk een dronken persoon probeerde na te doen. De eerste 3 glazen had ik opgedronken – van drie glazen werd ik niet dronken, mits ik water tussendoor dronk – en ik had er langzamer dan zij mee gedaan. Ze had al zes glazen op. Toen ze dronken begon te worden, liep ik steeds naar het toilet en spoelde het door. Ze had het niet door, hoopte ik.
“Twee flessen.” Ze lachte en aan haar stem te horen was zij dronken.
“Wow.” Ik lachte ook.
We lagen samen op haar bed naar het plafond te kijken. Ineens voelde ik een hand over mijn lichaam gaan. Op mijn borsten bleef hij hangen en ik voelde de warmte ervan door mijn shirtje heen. Ik lag op mijn rug, dus ik draaide mijn hoofd opzij. Ze ging met haar rechterhand over mijn hele lichaam. “Je bent zo mooi, Avon. Ik word opgewonden van je,” zei ze zacht in mijn oor en kreunde. Ze schoof wat dichter naar me toe en pakte mijn gezicht tussen haar handen. Ze kwam met haar lippen steeds dichterbij de mijne en ineens voelde ik ze daadwerkelijk. Haar tong probeerde naar binnen te gaan, maar ik hield mijn lippen op elkaar. Ik duwde haar weg, van me af en stond op. Ze keek naar me, tranen in haar ogen. “Vond je het niet fijn? Wil je niet eens een keer met een vrouw seks hebben? Wil je niet weten hoeveel beter het is? Ik dacht dat jij mij ook leuk vond.” In haar stem zat verdriet.
“Nee. Ik val op jongens. Niet op meisjes.” Ik draaide me om en liep niet naar de deur, maar naar het kastje. Ik pakte de mobiel en klapte hem open. Ze stond op, maar ze was dronken.
Ik ging naar het telefoonboek van de telefoon.
Amy
Bryan
Laurence
Liz
Papa werk
Papa mobiel
Mama werk
Mama mobiel
Roel
Thuis
Zoë

Alle namen van mijn vrienden stonden erin. Moest ik nu nog geloven dat dit haar telefoon was? Ik ging naar ‘laatst gebeld.’
Roel, Liz, Zoë.
“Wil je nu nog beweren dat dit ding jouw telefoon is? Al mijn vrienden staan erin, jij hebt hun nummers in je telefoon wil je zeggen? Jij kent ze persoonlijk?” Ik voelde me woedend en verdrietig. Ik dacht dat ze een nieuwe vriendin was. Ik haatte haar nu. Ze had gestookt tussen mij en mijn vrienden. Ze had mijn vrienden gestalkt en die hadden gedacht dat ik het deed. Verdomme. Toen draaide ik me om. Ze stond achter me. Een kille blik lag in haar ogen.
“Dit is jouw telefoon, Avon. Dat heb je heel goed. Hem jatten was simpel. Net zo simpel als jouw vrienden tegen je opstoken. Weet je waarom ik hem gestolen heb? Niet om je vrienden te stalken, nee, dat deed ik, omdat jij niet snel genoeg terugkwam bij mij, maar om jou te krijgen. Liefde is wreed als het maar van een kant komt. Van mijn kant. Ik moest je terughalen en dat deed ik op deze manier. Het is gelukt. Alleen nu ren je nog harder weg, omdat ik in jouw ogen geen vriendin zou zijn. Ik ben een betere vriendin dan Amy. Het is een kwestie van tijd voor je het inziet en tot je het inziet, zal ik je lastig blijven vallen. Wees daar maar van overtuigd, Avon. Jou en je beste vrienden. Laurence en Amy.”

Epiloog

Elke seconde veranderen er dingen.
Die zin was nog steeds zo waar. Het was zo. Ook in mijn leven veranderde er dingen. Dan heb ik het over grote dingen, maar ook over kleine. Over dingen in het algemeen. Soms was het vreselijk dat dingen veranderden, maar soms kon het ook positief zijn.
Soms moest je je verleden loslaten om verder te kunnen. Soms moest je mensen opnieuw leren vertrouwen en moest je verleden met hen vergeten om door te kunnen. Niet altijd moest je naar de slechte dingen kijken, maar ook naar de goede dingen die ze gedaan hadden voor jou.
In mijn leven was dat Devi geworden. De keer op het busstation dat ik hem weer zag, de eerste keer nadat het uit was, kon ik alleen maar denken aan wat hij wat gedaan, dat hij me voorgelogen had. Ik kon alleen maar de junk zien en ik was de jongen daarachter vergeten. Ik was alle lieve dingen van hem in onze relatie vergeten. Vergeten omdat ik hem niet meer echt zag. Mijn zicht was vertroebeld. Ik zag een lafaard, de sukkel, degene die had gefaald in dit leven. Ik zag niet de lieve attente jongen die de verkeerde weg genomen had.
Een halfjaar later kwam ik hem opnieuw tegen. Ik was naar de gevangenis geweest, naar Bryan, en toen ik in de bus zat, kwam ik hem tegen. Hij zag er beter, veel beter uit. Zijn gezicht was weer normaal; zijn wangen waren dikker, zijn ogen glansden en zijn haar hing niet meer sluik naar beneden, maar was geknipt en in model gebracht met gel. Hij kwam naast me zitten in de bus, maar ik herkende hem niet. Ik herkende hem niet zonder zijn junkuiterlijk. Alleen aan zijn stem herkende ik hem.
“Avon.”
“Devi. Je ziet er beter uit,” zei ik goedkeurend. Hij glimlachte wat verlegen.
“Ik ben gestopt met alle drugs. Ik wil niet weer zo diep zinken als toen. Ik ben afgekickt. Het was zwaar, moeilijk en verdomd klote. Ik voelde me alleen, vreselijk alleen, en ziek. Het is gelukt, omdat ik wilde en niet omdat ik moest. Als je iets van anderen moet, lukt het niet.”
“Goed van je.” Wat moest ik anders zeggen?
“Vind ik ook. Waar ben je op weg naartoe?”
“Naar huis. Ik ben net bij Bryan geweest,” zei ik aarzelend. Ik wist niet of ik moest vertellen dat Bryan Z, de drugsdealer zoals hij in de krant omschreven werd, mijn broer, mijn Bryan, was. Het was Devi vast niet ontgaan dat hij opgepakt was. Het had een aantal keer in de krant gestaan. Er was een grote drugsbende opgerold en Bryan was een van hen geweest. En Laurence. Ik slikte.
Mijn twee beste vrienden hadden mensen verslaafd laten worden. Mensen die net zo’n zware weg zouden moeten afleggen zoals Devi had gedaan. Ik kon woedend op ze zijn, omdat ze het gedaan hadden. Ik zou het zijn geweest als ik ze niet kende, maar ik kende de mensen achter het drugsdealen en ik kon niet boos op ze zijn. Het lukte me gewoonweg niet. Misschien heel verkeerd.
Laurence was minderjarig en hij zat in een jeugdgevangenis. Zijn straf was minder zwaar als die van Bryan. Waarschijnlijk omdat hij minderjarig was. Een jaar jeugddetentie en een jaar voorwaardelijk. Als hij een ding fout zou doen, zou hij een jaar langer moeten zitten. Bryan had twee jaar en een jaar voorwaardelijk gehad. Ik kon en zou ze niet laten vallen. Niet om een foute keuze als dit. Een foute keuze die ze hun hele leven mee zouden dragen. Laurence zou nooit professioneel surfer worden en waarschijnlijk zouden hij en Bryan ook niet echt gemakkelijk een baan vinden.
Niet alles was slechter geworden. Er waren ook positieve dingen. Zo had Amy een vriendje. De eerste van haar leven. Chrispin. Chris. Ik had hem niet echt meer gesproken na ons gesprek over Ischa, maar wat gaf het. Hij kwam weleens bij ons in de pauze zitten, maar net zo vaak ook niet. Amy en hij waren niet zo klef dat ze constant aan elkaar vastgeplakt zaten. Daar was ik blij om. Ik was blij voor Amy. Ik gunde haar een vriendje en ik was niet een vriendin die haar nu negeerde, omdat ze had wat ik wilde hebben.
Als iemand me dit twee jaar geleden verteld had, zou ik hem hebben uitgelachen. Dan zou ik het totaal niet geloofd hebben.

Devi tikte op mijn arm. “Gaat het?”
Ik keek naar het raam en zag mijn spiegelbeeld erin. Het was donker en koud.
Dit jaar zou er een Sinterklaas zijn zonder Bryan. Dit jaar zouden we ook niet met ons vriendengroepje surprises maken. We waren uit elkaar gevallen. Na het incident dat mijn mobiel gejat werd, dreven we uit elkaar. Na het gestalk van Ischa – iets wat overigens weer gestopt was – waren we langzaam van elkaar verwijderd.
Ischa had ons een halfjaar lang lastiggevallen. Ze hoopte dat ik bij haar terug zou komen. Al was het alleen maar uit wanhoop. Ik beet door de zure appel, negeerde haar en kwam niet bij haar terug. Ze begon dreigbrieven te sturen en ik gaf haar aan bij de politie. Ze werd veroordeeld voor een taakstraf en kreeg psychische hulp. Ze had een vriendin kunnen zijn. Ze was het niet. Ze was een psychisch wrak. Een meisje wat niet wist wat ze met zichzelf aan moest.
De arrestatie en de gevangenschap van Laurence was desastreus geweest. Laurence was de lijm tussen ons bakstenen geweest. Nu de lijm weg was, was de muur ingestort.
Liz en Zoë keken mij en Amy vuil aan als wij ze in de kantine of in de gang op school tegenkwamen. Roel werd ook vuil aangekeken. Hij had gekozen voor Laurence en niet voor Zoë. Dat had ze niet kunnen verkroppen en ze had lelijke roddels over hem verzonnen. Liz had haar natuurlijk geholpen.
De bus was niet echt vol. In mijn ogen blonken tranen. Ik haalde mijn hand over mijn ogen en knikte. “Het gaat wel. Naar omstandigheden. Mijn broer en beste vriend zitten in de gevangenis.” Ik wilde niet zeggen waarom tegen hem. Het zou vast te pijnlijk zijn voor hem. Dat vond ik begrijpelijk en logisch. “Mijn vriendengroep is uit elkaar gevallen, maar verder gaat het prima.”
Devi legde zijn arm om mijn schouders en keek me toen aan. Ik glimlachte. Het was niet erg. Hij was warm, ik was koud. Hij zei niets over het feit dat Bryan of Laurence opgepakt was. Wist hij niet of was hij bang dat het mij pijn zou doen?
“Zullen we eens naar de bioscoop gaan om je wat op te fleuren?”
Ik knikte. Ik vond het best.
We gingen naar de bioscoop, ik weet niet eens meer welke film, en het was geweldig. Geweldig in elk opzicht. Het was gewoon bijzonder. Hij was veranderd, maar ik was het ook. De zoen die hij mij gaf – de eerste na twee jaar – was veel beter dan degene die ik kreeg bij ons allereerste afspraakje. Ja, in dat opzicht waren we in elk geval gegroeid, volwassen geworden.

Terug | Auteur: Droomz