De Laatste

Meneer Dale liep met zijn hondje over het fietspad, die door een open vlakte bedekt met gras kronkelde. De zon ging langzaam onder en de maan stond nu hoog aan de donkerblauwe hemel.
Het was vandaag een zonnige dag geweest. Hij was samen met zijn vrouw een dagje naar het strand gegaan. Ze vond het prachtig, ze had namelijk multiple sclerose, een spierziekte. Daardoor moest ze veel binnen blijven. Ze was daardoor erg veranderd, vroeger was ze levenslustig, tot dat ze dan die ziekte kreeg. De ziekte liet mevrouw Dale veranderen, ze wilde niet meer naar buiten. Toch was met meneer Dale gelukt om haar over te halen, om mee te gaan naar het strand. Mevrouw Dale had er geen spijt van, ze vond het juist prachtig om er een dagje op uit te gaan, om de golven van de zee te zien, de meeuwen te zien vliegen, maar vooral om eens uit het huis te zijn. Ze had zeker 30 jaar de zee niet meer gezien.
Meneer Dale wist nog goed toen zij zo'n 30 jaar gelden multiple sclerose kreeg. Hij moest alles regelen, eerst leefde ze van de ziekte-uitkering, maar daarna kwam een zuster haar verzorgen, zodat meneer Dale kon gaan werken om geld in het laatje te brengen.
Zoals mevrouw Dale al 30 jaar leefde moest het hondje vandaag leven. Het hondje had de hele dag thuis moeten blijven, dus die was nu door het dolle heen om weer buiten rond te kunnen rennen.
Meneer Dale slenterde met zijn hondje over het fietspad, hij besloot een groter ommetje te maken dan normaal, want het arme hondje had de hele dag zijn behoeftes moeten ophouden.
De maan hing stilletjes achter een wolk en scheen haar maanlicht op het vochtige gras. Het tunneltje begon in zicht te komen. Voor en in het tunneltje hingen oude lampen, die voortdurend knipperden.
Langzaam liep meneer Dale met zijn hondje ernaar toe en liet hem af en toe eens aan een paaltje ruiken.
Opeens trok het hondje met een geweldige ruk aan zijn riem, meneer Dale werd meegetrokken door het kleine blaffende hondje dat hard naar het tunneltje rende. Blijkbaar had het kleine beestje iets of iemand geroken, maar er was niemand te zien.
Hij volgde zijn hondje snel het tunneltje in, maar ook daar was niks te zien. Het tunneltje was van steen, enorm groot en aan het plafond hing een kapotte lamp, die voortdurend knipperde. Op de muren was met graffiti gespoten. Meneer Dale moest slikken toen hij een tekst las; I'll kill you, stond er geschreven. Opeens...
Gekraak... Korte voetstappen... Gelach...
Hij verstijfde, voelde zijn hart in zijn keel kloppen en bleef staan. Het hondje begon hard te blaffen, meneer Dale draaide zich langzaam en angstig om, ondanks een misselijk voorgevoel. Nog voor hij zich helemaal omgedraaid had, raakte een mes hem in zijn borst, hij zakte langzaam ineen en kreunde van de pijn.
Het mes doorboorde zijn hart, hij merkte dat zijn leven was weggenomen, hij merkte dat het botte mes al zijn liefde liet verdwijnen. Hij zag nog net zijn moordenaar. De man met het zwarte gewaad en het mes was op zijn netvlies gebrand. Hij hoorde zijn hondje nog blaffen, maar toen werd alles stil. Hij hoorde zijn moordenaar weglopen. Een groene lichtflits vulde zijn gezichtsveld en alles werd zwart... zwart...

1

'Ha, chef,’ riep een van de agenten wanneer John Kerkvliet binnen kwam lopen. ‘Nog één week, dan kun je op je luie achterwerk zitten,’ grapte hij. ‘Trouwens, de directeur vraagt of je nog even bij hem kan komen.’
Kerkvliet knikte en deed zijn 'vissershoed' af en gooide die op de kapstok, zodat die bleef hangen.
‘Je hebt te veel naar de Cock gekeken,’ zei de agent, ‘en niet alleen naar de muts, zo te zien ook naar zijn eetgewoontes.’
De andere agenten op het bureau lachten, Kerkvliet lachte mee als een boer die kiespijn had. Hij hing zijn jas aan de kapstok en klopte op de deur van de directeur.
‘Binnen.’
Kerkvliet deed de klink omlaag, liet de deur openzwaaien en liep naar binnen. Het was een mooi, keurig ingerichte kamer, er stonden boekenkasten en er tussen in hingen foto's aan de muur. De directeur zat achter zijn bureau, waarop hij een vissenkom had staan. Hij was op dat moment een boek aan het lezen. Toen hij de deur hoorde opengaan keek hij op en zei: ‘Ah, rechercheur Kerkvliet. U komt als geroepen,’ zei de directeur terwijl hij zijn boek dicht klapte en weglegde. 'Mooi boek trouwens, van die Johanna Keijser.'
‘Goedemorgen meneer,' zei John beleefd terug.
‘Er is een lijk gevonden in het tunneltje. Ik stel voor dat je er heen gaat voor onderzoek.’
Kerkvliet knikte en wilde weglopen, maar de directeur stond op, pakte hem bij zijn arm vast en zei nog: ‘Dit is je laatste opdracht, ik hoop dat deze goed opgelost wordt zonder problemen.’
Hij keek de rechercheur diep in zijn ogen aan en liet hem los. Kerkvliet verliet het bureau en stapte in zijn auto en reed naar het tunneltje.
‘Man, rond de vijfenvijftig jaar,’ informeerde een agent. ‘Zeer triest. Hij had blijkbaar een hondje bij zich, maar die is nergens te bekennen, we vonden alleen een halsband.’
Kerkvliet slikte.
‘Is er iets, chef?’
‘Nee.’ zei hij en schudde zijn hoofd, maar dacht er anders over. Waarom nou een moord in zijn laatste week, alsof het gepland was.
‘Goed dan. De doodsoorzaak is een messteek in zijn borst. Ik stel voor dat je naar Piet gaat, hij zal je meer kunnen vertellen.’
John bedankte de agent en liep naar Piet, de man met de witte overall.
Piet, die onderzoek deed naar de doodsoorzaak, keek de rechercheur aan en schudde zijn hoofd.
‘De moordenaar heeft geen sporen achtergelaten. Er zit alleen wat zand in zijn schoenen en naast hem lag een riem, maar het hondje is spoorloos.’
Kerkvliet keek naar het slachtoffer en zei tegen de onderzoeker:
‘Een professionele moordenaar, als je het mij vraagt. Een voltreffer, recht in de borst. Heb je het slachtoffer al kunnen identificeren?’
'Nee,' schudde Piet zijn hoofd.
'Jammer, als je meer weet, weet je me te bereiken.'
De onderzoeker knikte en ging verder met zijn onderzoek.
Waarom nou net een professionele moordenaar, vroeg hij zich af. Maanden worden er geen moorden gepleegd, en natuurlijk net in mijn laatste week. Laat ook maar.
‘Broodje bij de soep?’ vroeg zijn vrouw die een mandje met broodjes bij zich had.
‘Nee, hoeft niet.’ Hij wreef met zijn handen over zijn gezicht.
‘Is er soms iets, normaal eet je altijd zoveel?’ vroeg zijn vrouw bezorgt.
‘Nee hoor, nou eigenlijk. Ik weet bijna zeker dat dit niet mijn laatste week zal zijn. Het was zo’n professionele moord.’
Mevrouw Kerkvliet knuffelde hem en er kwam weer een glimlach op het gezicht van de rechercheur.
‘Ah, geef me toch maar een broodje. Of maak er maar twee van.’
Zijn vrouw lachte en gaf hem zijn broodjes. De keuken waarin ze zaten te eten was niet groot, maar ook niet klein. Het licht van de grote lamp aan het plafond scheen op de bruine tegeltjes.
De dag ging snel om, maar hij moest steeds weer aan de moord denken.
De wekker begon hard te rinkelen, waarvan de rechercheur wakker werd. John sloeg chagrijnig op de wekker. Eerst keek hij even naar het plafond en wilde vredig blijven liggen, maar toen realiseerde hij zich dat hij moest opstaan.
‘Mia, wakker worden,’ zei hij en schudde de arm van zijn vrouw.
Hij stapte uit bed en stak zijn voeten in de pantoffels. Ook zijn vrouw stapte uit zijn bed; ‘Ik zal koffie gaan zetten, is dat goed?’
Kerkvliet knikte. Hij rekte zich uit en liep naar de badkamer. De badkamer was gekenmerkt door zijn witte en zwarte tegels. In de hoek stond een douche en in de andere hoek een wc-pot. Hij keek in de spiegel boven de wastafel en wreef zijn ogen uit.
“Je zult me nooit te pakken krijgen” stond er op de spiegel geschreven.
‘Mia!’ John was zich een hoedje geschrokken.
Zijn vrouw rende terug naar boven en viel bijna flauw toen ze het zag.
‘Pak het fototoestel eens,' zei John tegen zijn vrouw.
Mia gaf hem het toestel en John maakte de foto.
Toen de foto gemaakt was, liepen ze de trap af en gingen aan tafel zitten.
‘Wat een opdracht, wat een vreemde opdracht,’ zei hij toen hij aan zijn ontbijt begon.

2

Het was inmiddels twee dagen geleden dat John Kerkvliet een bericht op zijn spiegel had aangetroffen. De andere rechercheurs vonden het ook vreemd. Ook in het huis van John was geen spoor gevonden, geen spoor van inbraak, geen vingerafdrukken, niks. De directeur wilde Kerkvliet van de zaak afhalen, maar die weigerde. In de afgelopen twee dagen waren er verschillende mensen op het bureau langs geweest. Ze vertelden allemaal precies hetzelfde, ze schenen allemaal een groene lichtzee in het tunneltje te hebben gezien. Toch twijfelde het bureau nog aan de getuigenis, wat had een groene lichtflits met een messteek en een moord te maken?
John Kerkvliet zat in de woonkamer in de groene bloemetjes fauteuil. Er stond niet alleen een fauteuil in de kamer, maar ook een groene bloemetjes bank, met een bijpassend bijzettafeltje. Onder de eiken salontafel lag een groen tapijt en de muren waren behangt met groen papier, waaraan enkele foto's en schilderijen hingen. De tv stond op een klein kastje in een hoek. John wreef zijn ogen uit. Het was vandaag een zondag, een vrije dag dus.
De telefoon rinkelde hard en verstoorde de stilte, op de tv na. Mia, de vrouw van John, nam op; 'Het is voor jou,' riep ze vanuit de keuken. John stond op en slofte op zondagsbenen in pantoffels de keuken in.
'Met John Kerkvliet.'
'Met Piet,' zei de man aan de andere kant van de lijn.
'Ah Piet, heb je al nieuws over de man van het tunneltje?' John wachtte smachtend op antwoord.
'Ja, daar bel ik net voor. De man is geďdentificeerd als Peter Dale.'
De naam zei de rechercheur niks. 'Nog iets te weten gekomen?'
'Ja,' antwoordde Piet. 'Peter Dale is niet alleen gestorven aan de messteek, het lijkt alsof iets alles gesaboteerd heeft. Alle organen zien er zo raar uit. Het lijkt alsof hij vergiftigd is of gestorven is door zwarte magie.' Hij lachte om zijn laatste suggestie. 'Maar dat bestaat niet.'
'Maar wat verklaart die groene lichtflits dan?'
Het was even stil aan de andere kant van de lijn. 'Ik zou het niet weten.'
'Wat weten we nu? Peter Dale is gestorven aan iets dat alle organen saboteert en niet aan de messteek.'
'Inderdaad. Maar als je het niet erg vindt, hang ik nu op, want het is zondag. Dag.'
'Bedankt. Dag.'
John zuchtte en ging weer terug in de fauteuil zitten.

De haan van de naast liggende boerderij kraaide, de wekker ging af en een nieuwe dag begon. Hij staarde even naar het witte plafond in de kamer met de beige muren en ging rechtop zitten in zijn bed. In de slaapkamer stond alleen een grote eiken kast naast de deur naar de badkamer. Hij wekte zijn vrouw en ging zich wassen in de badkamer.
Het was vandaag weer een werkdag, hij had besloten vandaag mevrouw Dale te gaan ondervragen. Zoals elke morgen wreef hij voor de spiegel zijn gezicht uit. Weer stond er een boodschap op. De letters IDW waren op een klein briefje geschreven, dat in het hoekje van de spiegel hing.
Hij pakte het er af en stak het in zijn zak, at een broodje en ging naar zijn werk.

3

Rechercheur Kerkvliet zat in zijn auto en reed richting zijn werk. Hij had vanmorgen weer een aanwijzing gevonden. Het was een papiertje, een dood normaal papiertje. Het zat nog steeds in zijn zak. Hij haalde het eruit. IDW, stond erop. Maar wat betekende dat? En van wie had hij het? Misschien van de moordenaar.
De rechercheur stond voor een raadsel. Hoe moest hij nou ooit weten wat het betekende, het kon van alles betekenen. Hij wreef zijn met zijn vingers over zijn gezicht en dacht na. Misschien een afkorting, maar van wat? Of misschien de eerste letters van verschillende woorden, van een boek of zo iets.
Een buizerd vloog laag over een groene met klimop bedekt hek. John hield erg van de natuur, hij hoopte dan ook na de opdracht er veel van te kunnen genieten.
Mia Kerkvliet hield ook veel van de natuur, net als hun enig kind. Erik heette hij, hij was vijfendertig jaar oud en had rechten gestudeerd. Op zijn oude school hield hij vaak campagnes tegen vervuiling van het milieu.
John was ook tegen milieuvervuiling, daarom ging hij vroeger met de fiets, maar nu kon hij het niet meer, vanwege zijn gebrek aan conditie en had hij toch maar besloten de auto te gebruiken.
Johns gedachten kwamen weer terug bij vanmorgen, het briefje, de letters IDW.
Hij reed nu over een landweg, toen hij bij de grote lindeboom aankwam stopte hij even en stapte uit. Het bankje dat voor de oude, maar mooie lindeboom stond, was vol geklad door jongeren. John vond het niet mooi, hij had al aan de burgemeester voorgesteld een nieuw bankje te plaatsten. Die had beloofd het te doen, maar het was er nog steeds niet van gekomen. Of misschien was het bankje toch al geplaatst, maar had John er nooit iets van gemerkt, omdat de jongeren er al weer in gekrast hadden.
Rechercheur Kervliet had vandaag een afspraak met mevrouw Dale, de vrouw van de vermoorde man. Hij hoopte dat het goed zou verlopen.
De oude lindeboom stond naast het landweggetje dat naar de molen leidde. Langs de landweg lag een groot omgeploegd akker, maar in de berm groeide groen gras. Het plekje bij de linde was een plek voor John om te komen als hij niet meer wist wat hij met zijn gevoelens aan moest. Voor de meeste leek de rechercheur een man met een stenen hart, maar dat was eigenlijk niet zo. Diep vanbinnen was hij een gevoelig man, maar hij verborg zijn gevoelens gewoon goed.
Hij besloot dat hij lang genoeg op zijn plekje was geweest en vertrok weer. Hij reed richting de molen, waar de zon door de wieken scheen, het was een prachtig gezicht. Hij passeerde de molen en reed weer op de verharde weg. John was met voor bedachte raad vroeger vertrokken, zodat hij nog even op zijn plekje kon zijn. Hij stopte zijn auto voor het bureau en ging naar binnen. De agenten groetten hem en hij groette terug. Hij melde aan de directeur dat hij mevrouw van Dale ging ondervragen, verliet het bureau en reed met zijn auto naar het huis van mevrouw van Dale.
Hij belde aan en het duurde een tijdje voordat er open gedaan werd. De vrouw die open deed, zat in een rolstoel en had groene, bloeddoorlopen ogen, met ervoor een grote uilenbril. Ze droeg een lichtblauwe gebreide trui en een gerafelde oude spijkerbroek. Haar haren zaten in een lange paardenstaart en haar voeten staken in oude pantoffels. Ze keek John aan, alsof ze op een brutale manier zonder woorden wilde zeggen: ‘Wat moet je?’
‘Hallo, ik ben rechercheur Kerkvliet,' zei hij toen hij de blik van de vrouw met een lachende gevoel las.
De vrouw zei niks terug, maar wees hem naar binnen. John liep het halletje binnen en stootte bijna de paraplubak om, die in het hoekje naast de deur stond. Hij bukte zich om niet zijn hoofd te stoten aan de kapstok en liep verder naar de keuken.
Mevrouw Dale rolde hem achterna en wees hem een stoel. Nog steeds had ze geen woord gezegd, maar toen zei ze plots: ‘Ik ben Mia Dale, zoals u ongetwijfeld weet. Ik zou graag willen weten waarom u hier bent.’
John keek haar onbegrijpelijk aan, hij vond het een vreemde vraag.
‘U weet toch wel dat uw man is vermoord.’
Mia schudde haar hoofd en er rolde een traan over haar wang.
‘Vond u het niet vreemd dat uw man al dagen niet meer thuis is geweest?’
Ze liet haar ogen zakken en vertelde dat ze multiple sclerose had. Toen vertelde John dat haar man een paar dagen geleden dood was aangetroffen in het tunneltje.
Er rolden nog een paar tranen over Mia’s wang, ze raapte haar moed bij elkaar en vroeg: ‘Wilt u misschien koffie?’
John knikte. Toen zij de kamer had verlaten, stond John op en keek de kamer rond. Hij zat aan een grote eikentafel, met twee verschillende stoelen. In de hoek stond een boekenkast en daarnaast stond een klein tv’tje met een antenne erop. De kamer was behangen met een zacht wit behang, tegenover de tv was er een deur. John liep naar de deur toe en trok aan de klink, maar die gaf niet mee. Net op dat moment kwam Mia terug in haar rolstoel.
‘Gaat deze deur niet open?’ vroeg John haar.
‘Nee,’ antwoordde ze. ‘Hier is uw koffie.’
Ze zette de koffie op tafel en gebaarde hem te gaan zitten.
‘Die deur is sinds ik hier al woon, en dat is al heel lang, nooit open geweest. Blijkbaar heeft de vorige eigenaar de sleutel meegenomen.’
‘En de vorige eigenaars hebben er niets over gezegd?’
Ze schudde haar hoofd.
‘Kunt u me vertellen of uw man vijanden had?’
Mia dacht na over de vraag en antwoordde toen: ‘Zover ik weet heeft hij er nooit iets over gezegd.’
‘Oké, ik heb op dit moment geen andere vragen voor u. Als u nog iets te binnen schiet, kunt u me bereiken op dit nummer.’ Hij gaf haar een kaartje, waarop een telefoonnummer stond.
‘Tot ziens,’ zei Mia. John knikte en verliet het huis met een raar gevoel. Het was hem niet ontgaan dat Mia iets voor hem achterhielt. Hij wist niet wat het was, maar de gesloten kamer interesseerde hem wel. Hij herinnerde zich nog steeds de groene bloeddoorlopen ogen van Mia, terwijl hij in de auto stapte en terug naar het bureau reed.

4

Een vrouw met een zwart gewaad liep door het hoge gras. De zon scheen niet meer en de maan stond hoog aan de hemel. Lichtstralen van de maan schenen op de dauwdruppeltjes die aan de grassprieten hingen. In de verte was een grote oude lindeboom te zien, ook al was het donker.
‘Lumos,’ zei ze en er kwam een lichtstraaltje uit een stok die ze voor zich uitrichtte. De stok was een toverstok, wat verklaarde dat ze een heks was. Ze had een grote uilenbril op en haar haren zaten in een paardenstaart.
Ze keek goed voor zich uit, want ze wilde niet in een kuil stappen. Een paar druppeltjes hingen als parels aan een spinnenweb, die gespannen was tussen twee sprieten. Ze werkte zich door het grasveld, dat naar de oude lindeboom leidde. Op het bankje dat voor de boom stond zat een man met een zwarte capuchon over zijn hoofd getrokken. Hij droeg hetzelfde zwart gewaad als de vrouw.
‘Ah Johanna,’ zei de man toen de vrouw was aangekomen.
‘Meester,’ zei ze terug, boog, kwam terugrecht en keek in de fel groene ogen.
‘Ik had je eerder verwacht.’
‘Sorry, meester. Ik werd opgehouden.’
De mans ogen speurden naar leugens, maar vonden er geen.
‘Hoe gaat het met je nieuwe boek?’
‘Heel goed, ik moet er nog een.’
De man glimlachte vals en zei: ‘Wanneer ga je het doen?’
‘Dadelijk,’ zei ze op een vastberaden toon.
‘Goed, heel goed,’ hij lachte. ‘ga nu maar en doe wat je moet doen.’
De vrouw boog en verdween met een luid plopje.

Honderden meters verderop verscheen ze weer. Ze stond voor een trappenpad dat een paar meter ondergronds ging. Ze daalde de trappen af en ging om een hoekje staan. Haar warme adem condenseerde tegen de koude stenen muren van de ondergrondse tunnel. Ze hoorde voetstappen om het hoekje en trok haar toverstok.
‘Crucio!’
De man, die ze raakte, viel op de grond, kreunde van de pijn en begon te stuiptrekken.
‘Crucio!’ zei ze nogmaals.
Er schoot weer een pijnscheut door de man en hij kreunde nog harder. Maar de vrouw stopte niet, nee, integendeel zelfs. Ze riep nogmaals crucio, maar nu harder dan de vorige keren. Ze lachte om de pijn van de pijn.
Ze stopte plotseling en de man probeerde recht te komen.
‘Paralitis!’ zei ze krachtig.
De man schoot achteruit en botste tegen de muur op. Langzaam zakte hij in elkaar, maar de vrouw was nog niet klaar met hem.
‘Wingardium Leviosa.’
De man zweefde door de lucht en de vrouw liet hem hard op de grond vallen.
Ze schaterlachte en riep luid: ‘Avada Kedavra!’
Een groen lichtflits verlichte het tunneltje en de lichtstraal raakte de man recht in zijn borst. De man zakte in een en lag dood op de grond.
De vrouw lachte hard en liep het tunneltje uit. Buiten het tunneltje toverde ze een zilveren beer uit haar toverstok. De beer rende weg, alsof hij wist wat zijn bestemming was. De vrouw had hem gestuurd om haar meester te zeggen dat het gelukt was.
Ze lachte en verdween met een plopje.

5

‘Nog een?’ reageerde rechercheur Kerkvliet verbaasd, toen een collega hem opbelde en vertelde dat er een moord was gepleegd.
‘Moet ik je komen ophalen?’ vroeg de collega.
‘Graag.’
‘Dan zie ik je over tien minuten,’ zei hij en legde op.
John deed zijn schoenen aan en ging buiten wachten. In de verte kwam er een zilveren auto aanrijden. Die zwaaide zijn portier open en de inzittende man zei: ‘Stap in, John!’
John stapte in en lachte naar zijn collega.
‘Is alles weer goed met je, Jimmy?’
Jimmy was net hersteld van kanker, dat kon je zien aan zijn kale hoofd dat hij te danken had aan de chemo-kuur. John was blij om hem terug te zien, Jimmy was zijn vaste collega, maar sinds hij opgenomen was in het ziekenhuis, had John het alleen moeten doen.
‘Tuurlijk, je kent me toch,’ zei hij met een glimlach, die John gemist had.
‘Daar ben ik blij om.’
John vertelde over wat er was gebeurd. Er was weer een nieuwe moord gepleegd. In het tunneltje bij het station. Het slachtoffer was een man van ongeveer 25 jaar. Bij de man was geen spoor van wurging gevonden. Hij had alleen blauwe plekken en een bloedneus.

Het was inmiddels 2 maanden na de moord. Rechercheur Kerkvliet had de laatste weken niet veel te doen. Hij was nog steeds aan het denken wat de oorzaak van de moorden was. En de letters IDW. Hij had besloten vandaag naar de presentatie van het nieuwe boek van Johanna Keijser te gaan.

'Welkom, welkom,' zei een man die bij de ingang stond, hij liet John binnen. Het boekenwinkeltje waar de presentatie plaats zou vinden, stond boordevol met boekenkasten, die tot de nok vol stonden met boeken, boeken in alle kleuren en maten. In het midden van de boekenwinkel stond een tafel. Op de tafel lagen een paar boeken en pen. Achter de tafel zat een vrouw in een rolstoel met een grote bril, groene ogen, haar haren in een paardenstaart en een oude gerafelde trui.
John herkende haar. Het was Mia Dale. Hij stapte op haar af.
'Mia?'
'Ja? Bent u niet de rechercheur, die de moord op mijn man onderzoekt?'
'Ja? Maar waarom zit u hier?'
'Weet u misschien niet dat ik Johanna Keijser ben? De schrijfster van het boek "In de waan".' Ze glimlachte.
John schudde zijn hoofd.
'Johanna is natuurlijk niet mijn echte naam, het is mijn artiestennaam. Dat is om ongewenste telefoontjes te voorkomen.'
'Ah, u hebt dus die boeken geschreven. Ik ben onder de indruk.
De man die John binnen liet, kwam tussenbeide.
'Sorry dat ik jullie stoor, maar de presentatie moet beginnen.'
John knikte en deed een paar stappen achteruit.
‘Welkom allemaal bij de presentatie van mijn nieuwe boek. Mijn nieuwe boek heet 'In de waan' en gaat over een jonge heks. Die jonge heks moet een aantal moorden plegen om toegelaten te worden tot een geheime orde. Ik zal nu een stukje uit het boek voorlezen,’ zei Mia alias Johanna.
Ze sloeg het boek open en begon hard op te lezen:
‘Ik stapte langzaam door het hoge gras. Lichtstralen van de maan schenen op de dauwdruppeltjes die aan de grassprieten hingen. In de verte was een grote oude lindeboom te zien, ook al was het donker.
‘Lumos,’ zei ik en er kwam een lichtstraaltje uit mijn stok die ik voor me uitrichtte. Ik keek goed voor me uit, want ik wilde niet in een kuil stappen. Een paar druppeltjes hingen als parels aan een spinnenweb, die gespannen was tussen twee sprieten. Ik werkte me door het grasveld, dat naar de oude lindeboom leidde. Op het bankje dat voor de boom stond zat een man met een zwarte capuchon over zijn hoofd getrokken. Hij droeg hetzelfde zwart gewaad als mij.'
Ze bladerde een paar pagina's verder en vertelde dat ze ook nog een ander deel ging voorlezen.
'Ik zat op mijn knieën, gebogen, met mijn hoofd naar beneden gericht. Ik droeg een blauw gewaad met gouden strepen, voor me lag een toverstok. 'Joanne,' hoorde ik de man zeggen die een zwart gewaad met gouden strepen droeg. Hij zei dat ik moest opstaan. Ik gehoorzaamde, stond op en keek de kring rond. Om mij heen stonden allemaal mannen en vrouwen gekleed in zwarte gewaden, ze stonden precies op een gouden lijn. Maanlicht scheen op de zwarte muren van het gebouw.
'Joanne,' zei hij weer. 'Je bent geslaagd voor de test, je mag deelnemen aan de Orde van de Wanhoop.'
Hij trok zijn toverstok en bracht een watermerk op mijn buik aan. Toen draaide hij zich om en verliet de zaal.’
Ze stopte en pakte een pen.
’Jullie kunnen nu het boek kopen, en door mij laten signeren.’
Het publiek ging in de rij staan. John kocht ook een boek en liet het signeren door Mia.
Thuis ging de rechercheur in de fauteuil zitten en sloeg het boek open.
Hoofdstuk 1, stond er.

Ik stond voor een trappenpad dat een paar meter ondergronds ging. Ik daalde de trappen af en ging om een hoekje staan. Mijn warme adem condenseerde tegen de koude stenen muren van de ondergrondse tunnel. Ik hoorde voetstappen om het hoekje en trok mijn toverstok.
‘Crucio!’
De man, die ik raakte, viel op de grond, kreunde van de pijn en begon te stuiptrekken.
‘Crucio!’ zei ik nogmaals.
Er schoot weer een pijnscheut door de man en hij kreunde nog harder. Maar ik stopte niet, nee, integendeel zelfs. Ik riep nogmaals Crucio, maar nu harder dan de vorige keren. Ik lachte om zijn pijn.
Ik stopte en de man probeerde recht te komen.
‘Paralitis!’ zei ik krachtig.
De man schoot achteruit en botste tegen de muur op. Langzaam zakte hij in elkaar, maar ik was nog niet klaar met hem.
‘Wingardium Leviosa.’
De man zweefde door de lucht en de vrouw liet hem hard op de grond vallen.
Ik schaterlachte en riep luid: ‘Avada Kedavra!’
Een groen lichtflits verlichte het tunneltje en de lichtstraal raakte de man recht in zijn borst. De man zakte in een en lag dood op de grond.
Ik lachte hard en liep het tunneltje uit. Buiten het tunneltje toverde ik een zwarte beer uit haar toverstok. De beer rende weg, alsof hij wist wat zijn bestemming was. Ik had hem gestuurd om haar meester te zeggen dat het gelukt was.
Ik lachte en verdween met een plopje.

Het tunneltje? dacht John, dat moet de moord van 2 maanden geleden zijn, het moet.
John bruiste opeens van de energie. En de letter IDW, zou het misschien In de waan betekenen? Hij bladerde door het boek en ging naar het laatste hoofdstuk.

Ik opende de deur van het museum en ging naar binnen. Ik keek rond in de ruimte waar ik terecht was gekomen, het was er oud en stoffig. Een oude steen uit het oude Egypte stond in het midden van de zaal, ik verstopte me erachter en wachtte.

John stopte met lezen en begreep het, hij greep onmiddellijk de telefoon en draaide het nummer van Jimmy.
‘Met Jimmy.’
‘Met John hier. Ik heb iets ontdekt over de moord.’
Het was even stil aan de andere kant van de lijn. Maar toen zei hij toch iets terug:
‘Vertel maar.’
John vertelde hem alles wat hij te weten was gekomen. Over dat Mia Dale Johanna Keijser was. Dat de letter IDW, In de waan betekende en dat Mia Dale de moorden waarschijnlijk had gepleegd.
‘Kun je dat bewijzen?’
‘Nee,’ zei hij. ‘Maar in het boek staat een moord beschreven die nog niet gepleegd is. Ik denk dat dat de volgende is. We moeten erachter zien te komen.’
Jimmy beaamde. ‘Misschien moeten we nog eens bij die Johanna langs.’
‘Ja,’ zei John en dacht even na. ‘Misschien kunnen we in haar agenda kijken en erachter komen wanneer ze het gaat doen. Nee!’
Hij stopte en raakte een beetje in paniek.
‘Wat nee?’
‘Mijn vrouw heeft morgen een afspraak met iemand in het museum. We moeten Johanna tegenhouden en haar stoppen.’
‘En wat als die Johanna nou een echte heks is?’
John lachte en zei dat dat bijna onmogelijk was.
‘Hoe laat heeft ze die afspraak?’
‘Twee uur.’
‘Dan kom ik je dan ophalen, is dat goed?’
‘Ja.’
‘Tot morgen.’
‘Tot morgen,’ zei John terug en legde de hoorn neer.
John wist dat hij goede voorbereiding moest treffen en op alles voorbereid moest zijn. Hij ging naar de keuken waar zijn vrouw het avondeten had klaargezet. De pot schafte vandaag boerenkool met aardappelen.
‘Mia, je moet morgen niet naar het museum gaan. De vrouw waarmee je een afspraak hebt, is waarschijnlijk een moordenares.’
‘Als jij dat zegt.’ Ze glimlachte en schepte Johns bord vol.

6

Het oude beeldje,
Geeft je macht.
Het oude beeldje,
Maar sla acht.

Het oude beeldje,
In de ronde schijf.
Heeft vers bloed nodig,
Dan heb je alle macht.

Kerkvliet sloeg het boek dicht en stond op uit de fauteuil. Hij verliet de kamer en ging naar de keuken. Het was vandaag maandag en de sfeer was te snijden. De zenuwen dropen van de rechercheur af. Vandaag moest hij Mia Dale oppakken. Mia Dale, ook wel bekend als Johanna Keijser, de schrijfster, had verschillende moorden gepleegd waaronder die op haar eigen man. Mia Dale was waarschijnlijk een heks, dus John was bang en zenuwachtig.
Een uur. Jimmy kon elk ogenblik aanbellen en hem meenemen naar het museum. Ze hadden een uur eerder afgesproken, want het was ten eerste een half uur rijden en ten tweede moesten ze voorbereidingen treffen.
De bel ging en Mia Kerkvliet deed open, een jonge man stapte binnen. Zijn kale hoofd blonk als een parel in het licht, dat in de gang hing.
‘Gaat u-.’
‘Je!’
‘Sorry chef. Ga jč mee?’
‘Tuurlijk.’
Hij pakte zijn jas, gaf Mia een kus, stapte naar buiten en volgde Jimmy naar zijn auto. Jimmy hield de deur voor hem open.
‘Dit is misschien wel de laatste keer dat ik het kan doen,’ pestte hij de rechercheur. ‘Als we haar vandaag pakken, kun jč van je pensioen gaan genieten.’
John lachte en stapte de auto in.
‘Hoe gaan we het aanpakken?’ vroeg Jimmy.
‘Nou, in het boek stond iets over een beeldje. Ik kon er uit afleiden dat het beeldje alleen kon worden gepakt als er vers bloed op terecht kwam. Ik dacht dat het beeldje je machtig maakte of zo iets.’
‘Dus?’
‘We zullen dat beeldje moeten zoeken en het proberen te vernietigen.’
‘En als Johanna dan komt?’
‘Dan zullen we moeten vechten en haar proberen te over meesteren.’
‘Maar wat als ze nou echt een heks is. Ze zal ons met een zwiepje van haar staf omleggen.’
John zweeg en dacht.
‘Zullen we daar maar niet aan denken,’ antwoordde hij toen maar.
Jimmy knikte.
Het halve uurtje rijden, ging snel om en voor ze het wisten stonden ze al voor het grote museum. Het grote museum was gebouwd uit bruine stenen en boven op de gevel stond met grote stenen letters, MUSEUM, geschreven. Het museum was enkele verdiepingen hoog, om precies te zijn drie. Het museum had een deur, een grote glazen deur waarop de openingstijden hingen.
John stapte eerst uit en wachtte tot Jimmy de auto had afgesloten. Daarna liepen ze de stenen trappen op naar de ingang van het museum. Jimmy trok de deur open en hield hem open voor John.
‘Dames voor,’ grapte hij.
John lachte: ‘Als de heren zijn geweest.’
En liep binnen, Jimmy volgde.
‘Goedemiddag agenten,’ zei de jongen die dienst had aan de kassa.
‘Nou, agenten? Wij zijn rechercheurs. En mijn vriend hier is tevens chef.’
‘Sorry, sorry. Goedemiddag rechercheurs.’
‘Goedemiddag,’ zeiden ze terug.
‘Komt u voor de plicht of gewoon op bezoek?’
‘Voor de plicht.’
‘Loopt u dan maar door.’
John knikte en gebaarde Jimmy om verder te gaan. Ze kwamen een man tegen met een naamkaartje. Tim, stond erop, gids.
‘Mogen we u iets vragen?’ vroeg John snel.
‘Natuurlijk,’ zei die terug.
‘Is er iets in dit museum dat het oude beeldje wordt genoemd?’
‘Ja, volgt u me maar, dan zal ik u brengen.’
John en Jimmy bedankten de gids en volgde hem. Ze kwamen in een ronde kamer terecht, de muren waren zwart geverfd, tegen de muren waren schappen met oude voorwerpen. In het midden van de ronde kamer stond een ronde schijf met daarin een oud beeldje.
‘Hier is het.’
‘Dank u.’
In de ronde schijf stonden ouden tekens gegrift.
‘Wat staat daar?’
De gids boog zich over de stenen schijf en zei dat het Grieks.
‘Kunt u het lezen?’
‘Nee, maar ik kan wel even de professor halen.’
‘Dat zou fijn zijn.’
De gids verliet de ronde kamer en John en Jimmy keken elkaar aan.
‘Ik denk dat ze het niet fijn zouden vinden als we het kapot zouden maken.’
‘Dat dacht ik ook al,’ zei Jimmy terug en lachte.
Enkele minuten later kwam de gids terug met een man. De man had een witte baard op zijn kin, rond zijn mond. Zijn haren waren ook wit, hij droeg een bril en had een witte jas aan. Het leek net alsof ze de professor uit een film hadden gehaald.
‘Dit is de professor.’
‘Hallo,’ zeiden ze en gaven hem een hand.
‘Jullie hadden mijn hulp nodig, hoorde ik van mijn jonge vriend hier.’
‘Dat klopt. We vroegen ons af als u ons kon vertellen wat op die schijf stond, ’ zei rechercheur Kerkvliet.
De professor boog zich over de schijf en wreef door zijn baardje. Hij snoof.
‘Het is Grieks, een van de mooiste-.’
‘Sorry, dat ik u onderbreekt, maar we hoeven alleen maar te weten wat erop staat.’
‘Sorry.’
Hij boog zich er opnieuw over en spitste zijn ogen.
‘Το παλαιό ειδώλιο,
δίνετε την τροφοδότηση.
Το παλαιό ειδώλιο,
αλλά κρίνει το μαρούλι.

Το παλαιό ειδώλιο,
μέσα στο rond δίσκο.
Εάν το φρέσκο αίμα έχει απαραίτητος,
να έχε εσύ όλο να μπορέστε.’
‘En dat betekent in het Nederlands?’
‘Vrij vertaalt?’
‘Als het maar duidelijk is.’
De professor knikte, keek weer naar de schijf en begon te vertalen:
‘Het oude beeldje,
Geef je macht.
Het oude beeldje,
Maar sla acht.

Het oude beeldje,
In de ronde schijf.
Heeft vers bloed nodig,
Dan heb je alle macht.’
‘Heel erg bedankt, professor.’
‘Als ik u daar mee van dienst kon zijn,’ zei de professor terug, glimlachte, zei dat hij weer ging en verliet de kamer.
‘Vinden jullie het zelf nu?’ vroeg de gids.
‘Ja hoor,’ zei Jimmy terug.
De gids nam afscheid en verliet ook de kamer.
‘Dat was hetzelfde gedicht als in het boek.’
‘Dat dacht ik al. Hoe laat is het trouwens?’
John keek op zijn horloge, die onder zijn mouw school.
‘Vijf voor twee.’
‘Zouden we ons dan maar eens gaan verstoppen.’
John knikte en ze kropen achter een groot beeld.

7

Een oude klok in de ronde kamer sloeg twee. Het was twee uur. John en Jimmy zaten verscholen achter een groot beeld. Ze wachtte op Johanna Keijser, die ze moesten tegenhouden en gevangen nemen. Het zou niet gemakkelijk worden, dat wisten de twee mannen.
Ze laadde hun pistolen en hielden ze voor hun borst. Ze wachtten.
Vijf over twee.
Tien over twee. De deur van de ronde kamer ging langzaam piepend open. Een vrouw met een uilen bril, een groene coltrui en haar haren in een paardenstaart stapte binnen. Ze sloot de deur achter haar en trok iets uit haar binnenzak. Het was een stok. Ze keek om haar heen en stapte langzaam en voorzichtig vooruit.
De deur zwiepte weer open en de vrouw draaide zich vliegensvlug om. De gids liep naar binnen en keek verschrokken naar de stok die op hem was gericht.
‘Avada Kedavra,’ zei de vrouw en zwiepte met haar stok.
Een groen lichtstraal raakte de jongen in zijn borst en een groene lichtflits verlichte de kamer. De gids zakte langzaam in elkaar.
Ze schaterlachte en haalde nog iets uit haar binnenzak. Het was een klein mesje. Ze boog zich over de gids en wilde in hem snijden, maar Jimmy verraste haar.
‘Handen omhoog,’ zei hij en richtte zijn pistool op haar.
De vrouw draaide zich verschrokken om en John herkende haar als Mia Dale. Hij kwam ook vanachter het beeld te voorschijn, met zijn pistool op haar gericht liep hij langzaam en voorzichtig naar haar toe.
‘Johanna, of moet ik Mia zeggen.’
Mia zei niets terug, maar ze lachte vuil.
‘Laat die stok vallen, nu!’
‘Nooit!’
Ze maakte een zwiepje met haar toverstok en rende weg. Het pistool van John vloog uit zijn hand. Jimmy ging achter haar aan. John pakte snel zijn pistool van de grond en rende ook snel achter haar aan.
Jimmy schoot. Het schamp schoot raakte haar been, ze strompelde even, maar na een zwiepje van haar toverstaf rende ze weer hard verder.
Jimmy schoot nog eens. Mis. Mia sloeg een zijdeur in en de twee mannen volgde haar, maar wel voorzichtig.
John deed voorzichtig de deur op een kier en tuurde naar binnen. Niets te zien.
Hij deed de deur nog iets verder open. Weer niets te zien.
Voorzichtig duwde hij de deur verder open.
De kamer stond vol met prehistorische spullen, links in de kamer stond een namaak van een jager met een dierenvel om hem heen. De jager droeg een speer. De rest van de kamer was gevuld met stenen gebruiksvoorwerpen.
‘Dek me,’ zei John en keek Jimmy aan.
Ze gingen naar binnen en Jimmy dekte hem. Daar stond ze, met haar vuile lach. Ze hief haar toverstaf, maar John schoot. Recht in haar schouder. Haar toverstaf viel op de grond. John rende naar haar toe en trapte de toverstok weg. Hij richtte het pistool op haar. Hij zette hem in zijn vrij, zet zijn vinger bij de trekker, maar dan…
Mia trapte hem tussen zijn benen in, John kreunde van de pijn en ze stond op. Hij beet door de pijn heen en duwde Mia tegen de schap aan. De oude spullen vielen allemaal van de schap af op Mia.
John wilde Mia in de boeien slaan en pakte daarom de spullen van haar af, maar ze was verdwenen. John keek om zich heen. Mia was nergens meer te bekennen.
‘Waar is ze, chef?’
‘Geen idee.’
De toverstaf was ook verdwenen.
‘We moeten haar gaan zoeken,’ zei Jimmy.
John knikte en volgde hem de kamer uit.
‘Ze is natuurlijk terug naar de ronde kamer waar het beeldje staat.’
Jimmy dacht hetzelfde en ze liepen snel terug naar de kamer. Ze laadden allebei opnieuw hun wapen en stapten zaal binnen.
De zaal leek leeg, maar iets zei John dat ze er toch was. Hij keek de rond met zijn pistool voor zich uit. Maar er was niemand te zien. De gids lag niet meer op de plaats waar hij toen net nog lag. Mia moest het lijk verplaatst hebben of de jongen moest niet dood zijn geweest.
‘Ze is hier niet,’ zei Jimmy hem.
John keek Jimmy aan en zei hem dat ze in een andere zaal en moesten kijken.
Ze doorkruisten de ronde kamer om zo door een andere deur, die aan de andere kant van de kamers was, te gaan. Maar toen ze in het midden van de kamer waren, zagen ze uiterst rechts Mia staan, John rende snel naar haar toe toen ze haar toverstok hief. Hij pakte haar bij een been en verdween samen met Mia met een luide knal. Jimmy vroeg zich af hoe ze opeens konden verdwijnen, zomaar in het niets.
Hij rende de kamer uit en zocht.

Mia en John kwamen weer tevoorschijn in een andere kamer. De kamer ging over de bronzen tijd. Er waren allemaal voorwerpen van brons. De kamer was ingedeeld qua (geschat) jaartal. Uiterst links stonden alle spullen van het begin van de bronzen tijd die vooral bestonden uit eenvoudige spullen. En uiterst rechts stonden alle spullen die waren gemaakt tegen het einde van de bronzen tijd, net voor de ijzertijd. Die spullen waren al niet meer zo eenvoudig. Naast sommige voorwerpen lag ook nog een oude stenen mal.
John lag nog op de grond, maar Mia stond al recht, ze richtte haar toverstaf op hem. John trok snel zijn pistool en schoot haar in haar been, waardoor ze even de concentratie verloor en hij de toverstaf uit haar hand kon trappen.
Mia pakte de toverstaf en rende snel de kamer uit. John stond snel op en schoot haar nog na, maar miste. Ze sloot de deur achter hem.
John stond op en wilde de deur opentrekken, maar de deur van de andere kant al opengedaan. Het was Jimmy. ‘Is ze weer weg?’ vroeg die.
John knikte.
Ze renden achter haar aan. Mia was blijkbaar de Egyptische kamer ingegaan, want de deur stond wegenwijd open. Ze gingen naar binnen, en keken rond. Aan weerszijde van de rechthoekige kamer stonden mummies opgesteld, aan de achterkant stond een grote gouden sarcofaag, daarvoor stond Mia.
Ze lachte, zwiepte met haar toverstok en mompelde iets onverstaanbaars. Er schoten rode vonkjes uit haar toverstaf, die de mummies raakten. De mummies kwamen plotseling tot leven en Mia zwiepte nog eens met haar toverstaf in de richting van de twee inspecteurs.
De mummies liepen met hun armen naar voren richting hun, Mia rende weg.
John trok zijn pistool en schoot een mummie door zijn hoofd, maar het deed hem niks.
‘Er is maar een oplossing,’ zei Jimmy. ‘We moeten ze omverduwen.’
John knikte en duwde de eerste de beste mummie die hij tegen kwam. Die viel op de grond en kon niet meer recht komen.
Zo deden ze het ook bij de andere. Toen alle mummies op de grond lagen, had Mia al een grote voorsprong.
Jimmy dacht dat ze waarschijnlijk terug was gegaan naar de ronde kamer.
Ze gingen terug naar de ronde kamer. Ze zagen Mia met het zilveren mesje in de gids snijden.
De gids was dus wel dood, aangezien hij erop eens weer lag, of ze moest hem opnieuw vermoord hebben.
‘Handen omhoog,’ riep John.
Hij liep met zijn pistool voor zich uit naar haar toe. Mia trok haar toverstaf en zwiepte ermee. John vloog achteruit, maar Jimmy had al een schot afgevuurd. Het raakte haar in haar hand, ze liet de toverstaf vallen. Doordat Jimmy haar raakte terwijl ze nog bezig was met de bezwering, viel John zachtjes op de grond. Hij rende snel naar Jimmy toe, die Mia in de boeien was aan het slaan. Haar toverstaf lag op de grond, John pakte hem op en brak hem door midden. Mia kruiste en riep: ‘Imbeciel!’
‘Ik verdenk u van moord en hekserij.’
John en Jimmy kende geen genade en sloegen haar dubbel in de boeien, zodat ze zeker niet kon ontsnappen. Net toen ze de ronde kamer wilden verlaten kwam de professor binnen.
‘Wat is hier gebeurt,’ als hij de vrouw ziet met de boeien aan.
‘Ze heeft een moord gepleegd,’ zei John en hij wees naar de gids, die nog steeds op de stenen vloer van het museum lag.
‘Johnnie,’ riep de professor naar de dode jongen en rende ernaar toe.
‘Hij is dood,’ zei Jimmy en keek met medeleven naar de professor, die nu helemaal in de war was.
Mia krijste weer. Maar ze trokken zich er weining van aan. Jimmy pakte haar steviger vast, zodat John kon los laten. Hij liep naar de professor en sloeg een arm om hem heen.
‘Ik ben ook al eens een assistent verloren. Erik. Hij was mijn assistent voor Jimmy, hij werd vermoord door een drugsbaron toen we die oppakte. Ik weet hoe u u voelt.’
De professor knikte en dankte hem voor zijn medeleven. ‘Maar wij moeten nu gaan, we moeten deze nog verhoren en in de cel stoppen.’
Ze namen afscheid van de professor en verlieten het museum.

8

Mia Dale zat in een stenen ruimt aan een tafel op een stoel. Ze keek tegen een groten spiegel aan, ze stond op en keek in de spiegel. Haar vuist sloeg tegen de spiegel, ze fluimde ertegen en werd kwaad.
Aan de andere kant van de spiegel stonden Jimmy, John en de commissaris van het politiebureau.
‘Ik had gelijk over haar.’
‘U wist dus dat ze geen multiple sclerose had?’ vroeg de commissaris.
John knikte.
‘Nadat ik haar boek heb gelezen. Ik denk dat dat haar domste fout was, om alles in een boek op te schrijven.’
‘Wat gaan we met haar doen?’ vroeg Jimmy.
‘Eerst verhoren en dan een extra beveiligde cel in.’
‘Zullen we dan maar beginnen.’
De commissaris knikte en wees de twee mannen de deur naar de verhoorkamer.
‘Zo, mevrouw Dale,’ zei John toen hij de verhoorkamer binnenging.
‘Waarom?’
Ze zweeg. John werd kwaad en sloeg op de tafel.
‘Waarom deed je het?!’ vroeg hij kwaad.
‘Daarom.’
‘Geen gekke toeren! Ik vraag alleen waarom je het deed. Waarom vermoorde je je man? Waarom deed je alsof je multiple sclerose had?’
Mia ademde in en uit, maakte haar lippen nat en zei: ‘Hij liep in de weg.’
‘En waarom deed je alsof?’
‘Ik moest me ergens achter verschuilen.’
John liep naar zijn stoel, draaide hem op en ging erop zitten. Jimmy stond nog steeds in de hoek van de kamer. Hij had nog niks gezegd, maar nu zei hij toch iets: ‘Maar waarom deed je het?’
Mia deed alsof haar bril vuil was, deed hem af en blies erop. Ze zette hem weer terug op en keek Jimmy aan.
‘Voor bij boek.’
‘Alleen maar voor je boek?’
‘Nee.’
‘Nee?’
‘Ook voor mijn opdrachtgever.’
‘En wie is dat?’ vroeg John en hij keek haar diep de de ogen.
‘Iemand.’
‘We gaan niet gek doen!’ Hij sloeg boos op de tafel.
‘Nu eerlijk! Wie?’
‘Marten Vilijn.’
‘Is hij een tovenaar?’
‘Ja.’
John ademde diep in.
‘Hij zal wel boos zijn, dat je hier zit.’
‘Boos? Hij is kwaad. Ik voel het!’
Ze trok haar mouw omhoog en liet iets op haar arm zien. Een zwarte slang bewoog zich door een doodshoofd.
‘Dit is het duistere teken.’
‘Het wat?’
‘Het duistere teken. Ik voel nu dat hij kwaad is, hij is woendend.’
‘Vervelend voor hem. Ik laat je nooit gaan,’ zei John.
Mia reageerde er niet op, wat misschien wel het slimste was.
‘En over dat beeldje. Waarom?’
‘Dat beeldje geeft mij de grootste macht. Dan zou ik over de hele wereld heersen.’ Ze schaterlachte.
John sloeg met zijn vuist op tafel: ‘Stilte.’
Mia stopte met lachen, keek John aan en zei: ‘Maar dankzij jou is dat mislukt!’
‘Gelukkig wel.’
Mia reageerde er weer niet op.
‘Waarom heb je een moord in je boek beschreven die je nog niet gedaan had. Dat was een domme zet!’
Mia reageerde niet.
‘Wij weten genoeg,’ zei Jimmy en ze verlieten de kamer.

‘Goed zo!’ zei de commissaris toen ze de andere kamer weer binnen gingen. ‘Ze heeft bekent, breng haar maar naar haar cel, Jimmy.’
Jimmy verliet de kamer en ging de verhoorkamer weer in. Hij pakte Mia vanachter vast en duwde haar de kamer uit.
Even later kwam hij gehaast terug; ‘Ze is ontsnapt!’
John wilde direct naar buiten rennen, maar Jimmy hield hem tegen.
‘Grapje, chef,’ zei hij lachend.
‘Doe dat nooit meer op mijn oude dag! Ik had bijna een hartverzakking!’
Ze lachtte.
‘Voor het goede werk geef ik jullie een dag vrij,’ zei de commissaris.
De twee bedankten hem en verlieten het politie bureau.

John zat op de bank, hij had vandaag een drukke dag gehad. Hij had Mia Dale gevangen genomen, maar het was hem niet zonder blauwe plekken gelukt. In het museum was er een gevecht tussen haar en hem en Jimmy geweest. Uiteindelijk hebben John en Jimmy toch gewonnen, maar Mia had al iemand vermoord. Het was de jonge gids, de professor was helemaal in de war erdoor.
De telefoon ging, het was Jimmy.
‘Ga je mee naar de frietentent?’ vroeg hij.
‘Natuurlijk.’
‘Dan kom ik je ophalen.’
‘Oké!’
Enkele minuten stond Jimmy voor de deur. Hij gebaarde John in te stappen. John knikte, nam afscheid van zijn vrouw en stapte de auto in.
‘Drukke dag, hč chef!’
‘Ja,’ zei John lachend.
Enkele minuten later kwamen ze bij de frietentent aan. Ze stapten uit en gingen het kleine huisje in.
‘Goedemiddag heren,’ zei de jonge die achter de toonbank stond.
‘Goedemiddag? Het is 6 uur geweest, het is dus al avond,’ pestte Jimmy de jongen.
‘Goedenavond heren,’ herstelde de jongen zich.
‘Goedenavond jongen,’ zeiden ze terug.
‘Wat mag het zijn?’
‘Doe mij maar een-.’John keek even naar de eetwaren die er lagen.
‘Een grote friet met mayonaise, een hamburger, twee frikadellen en een pils.’
‘Zo jij denkt aan je lijn,’ grapte Jimmy.
‘Ja, en u meneer?’ vroeg de jongen beleeft.
‘Ik houd het toch maar op een broodje gezonden met een cola light.’
‘Oké. Neemt u plaats, dan kom ik het zo brengen.’
Ze knikten en gingen aan een van de plastieken tafels zitten.
De frietenkraam was behangen met geel met witten strepen behang, de toonbank met de etenswaren erin stond recht tegenover de deur, naast de toonbank was er een deur die naar de eetruimte leidde. In de eetruimte stonden er een paar plastieken tafels met plastieken stoelen.
‘Hier is uw bestelling,’ zei de jongen toen hij het eten kwamen brengen. ‘Smakelijk!’
‘Dank je, jongen.’
Ze aten hun eten op. Jimmy dronk zijn cola light en John zijn pils. Hij dacht na onder het genot van zijn pils over de wel heel vreemde opdracht. Maar die was opgelost en nu kon hij gaan genieten van zijn welverdiende pensioen.

Epiloog

JOHN KERKVLIET NEEMT SERIEMOORDENARES GEVANGEN

BAAL 09-02-`08
Dit weekend stond in het teken van het afscheid van de rechercheur van het politiebureau van Baal. Om de sensatie groter te maken, ving hij die dag de seriemoordenares Mia Dale.
Dit weekend was in Baal een groot feest. De mensen leefde in afschuw voor de moordenares Mia Dale alias Johanna Keijser de bekende schrijfster. Mia vermoorde o.a. haar eigen man, een gids in het grote museum en de veldrijder Sven Nys.
Rechercheur John Kerkvliet was een man van 65 jaar en was rechercheur en chef van het politiebureau van Baal. Hij ving dit weekend samen met zijn assistent Jimmy Akkermans de schrijfster in het museum.
John kan nu genieten van zijn welverdiende pensioen
Van onze verslaggever: Patrick

John Kerkvliet sloeg de krant dicht, leunde achterover en deed zijn ogen dicht.

John genoot van zijn pensioen, maar hij kon moeilijk afscheid nemen van zijn werk. Hij bleef Jimmy adviseren tot die stierf.
John leefde nog tweeëntwintig jaren gelukkig met Mia. Op zevenentachtigste stief hij. Mia stierf twee jaar later.

Jimmy overleed jammer genoeg vier jaar na het pensioen van John. De kanker had weer een opleving gekregen.

Mia Dale pleegde zelfmoord in de cel, ze kon het niet meer opbrengen. Sindsdien zijn er nooit meer magische activiteiten waargenomen.

Terug | Auteur: Patrick