Top Verhaal.nl bied iedere dag een nieuw topverhaal uit de compleet afgeschreven verhalen van het online verhalen forum OnlineVerhalen.nl

Kaars in de wind

Hoofdstuk 1 – Het dovende vlammetje.

Met snelle stappen liep ze door de straat, om zo vlug mogelijk weer in haar winkel te zijn. Ze leek nergens anders oog voor te hebben, dan voor haar bestemming. Maar niets was minder waar. Ze zag de mensen wel degelijk, en de dieren, de bomen, de huizen. Alles was hetzelfde als een paar weken geleden, maar tegelijkertijd was het zoveel minder mooi. De kinderen speelden door met hun spelletjes, de volwassenen waren nog steeds aan het werk. Maar iedereen voelde de dreiging, en iedereen ontkende het net zo hard. Het was de tijd van onrust en kwaad. De tijd van Zangado, de bestuurder van Overdinkel. Toen ze haar winkel bereikte, deed ze gauw de deur achter zich dicht. Rust. Er maalde zoveel door haar hoofd, ze moest het echt even op een rijtje zetten. Eigenlijk begon het op haar verjaardag, een paar weken geleden, 16 juni 1602, was ze twintig geworden, maar het bracht weinig goeds mee.

Het was de gewoonte om te roddelen. Daarom hield haar familie zo van verjaardagen. ‘Lekker bijkletsen’ noemden ze het. De hele achterkamer zat vol.

“Margaretha! Je ziet er weer prachtig uit! Echt een stralende jarige Jet!” Ze kreeg van haar tante twee vluchtige kussen op haar wang en een pakje in haar hand gedrukt.
“Bedankt.” Maar dat hoorde tante Eva al niet meer, ze was meteen druk in gesprek. Margaretha zuchtte eens en begon wat hapjes voor te bereiden, daarbij was haar eigen kruidenier wel handig. In het achterkamertje vond ze alles wat ze nodig had. Ze legde nog wat peterselie bij de worst en liep met het overvolle dienblad de kamer binnen. Er zaten kleine groepjes bij elkaar, overal waren gesprekken begonnen.

“En die vrouw van Mathijs heeft een kind gekregen, dat arme wicht. Lang heeft ze er niet van kunnen genieten” Vol overgave vertelde een van Margaretha’s tantes het verhaal.

“Hoezo niet tante Martha? Wilt u trouwens iets lekkers?”

“Graag kind, ik ben blij dat je nog een leuke verjaardag kunt hebben. Ze zijn dus nog niet tot hier doorgedrongen.” Nieuwsgierig bleef Margaretha staan, als haar tante dit toontje gebruikte, kwam er een spannend verhaal.

“Och, het is allemaal zo vreselijk.”

Margaretha’s gezicht betrok, net zoals die van de anderen die meeluisterden.

“Hekserij,” fluisterde ze met een koude stem. “Als je niet oppast, verdenken ze je van hekserij. En dan kom je zekers te weten op de brandstapel terecht!”

Margaretha lachte. “Ach, heksen bestaan toch helemaal niet!”

“Dat denk jij, ze zijn allemaal gevlucht. Anders wacht je een vreselijke dood,” zei tante Martha op haar samenzweerderige toon.



Toen was ze nog zo naïef, ze kende geen gevaar. Maar dat was veel te snel omgeslagen, toen de theorie ook Overdinkel bereikte. Ze had haar stad ten onder zien gaan. Ze had de angst het brein van de mensen zien intrekken. Ze had de angst zelf ook gevoeld. En dat werd alsmaar groter en groter. De moorden zouden niet stoppen, en ze zou ook niet wakker worden en merken dat ze alles gedroomd had. Iedere dag weer zag ze de brandstapels staan, hoorde ze het gekrijs van de slachtoffers, en de stilte na afloop.

Die stilte was nog het ergst, weten dat er weer iemand, beschuldigd van hekserij, maar eigenlijk geheel onschuldig, vermoord was.

Ze zat al heel lang tegen de deurpost aan, het was donker buiten. Zelfs de maan en sterren leken uit de hemel verdwenen te zijn. Op de tast vond ze een paar kaarsen en stak die aan. Haar kruidenier werd zwak verlicht. Ze staarde in het dansende vlammetje en dacht weer terug aan die ene keer dat ze toch had gekeken. De tranen stroomden over haar wangen



Zwijgend stond ze tussen het ‘publiek’. Bijna het hele dorp was gekomen, niemand wist waarom ze eigenlijk gingen, het was een vreemde drang, bijna je plicht als dorpsbewoner. De drie ter dood veroordeelde vrouwen werden naar het midden van het plein gebracht, stevig vastgebonden. Er ging een schok door de toeschouwers heen, het middelste meisje was nog niet eens vijftien! Ergens achter Margaretha begon een vrouw te krijsen.

“Nee! Moordenaars! Blijf van mijn dochter af! Laat haar gaan, alsjeblieft. Laar haar toch gaan.” Met een luid gesnik stormde ze op het meisje af en rukte aan de touwen. Een bewaker trok de vrouw ruw naar achter, maar ze schopte en sloeg hem waar ze maar raken kon. Margaretha voelde met deze vrouw mee. Ze was ziedend. Haar nagels drukten in haar vel, ze moest iets doen! Maar alles zou tevergeefs zijn, ze vluchtte naar huis, uit angst voor haar zelf. Bang dat ze ook daadwerkelijk iemand ging vermoorden van kwaadheid. Ze wist wat er ging gebeuren, de vrouw zou ook verbrand worden, alleen omdat ze van haar kind hield. Uit onmacht bonkte ze met haar vuist tegen de muren. En even later werd haar vermoeden bevestigd. Er laaiden nu vier vuren op, in plaats van de geplande drie. Er klonk hartverscheurend gehuil van de familie en bekenden, gejuich van de toeschouwers die het er wel mee eens waren, en het door merg en been gaande gekrijs van de vier vrouwen. Margaretha drukte haar handen tegen haar oren. Ze voelde de pijn en onmacht, de laatste adem die werd uitgeblazen, de hele vreselijke dood. En toen kwam de stilte, de toeschouwers liepen weer gewoon naar huis, de vier vrouwen waren verdwenen. Het leven ging door. Het enige bewijs voor de gruwelijke misdaad waren de vuren. Als vier stille kaarsen in de wind.



Haar hele gezin had er al aan moeten geloven. Haar vader en moeder waren gevlucht, omdat ze altijd de zogenoemde ‘heksen’ hielpen. Op een dag, waren ze zomaar weg. Er had alleen een kort briefje gelegen. Margaretha verbeet haar tranen, ze wilde er niet aan denken, niet nu. Iedereen was weg. Ze had nog een tijdje de kruidenier met haar zus en broer gerund, maar dat had ook niet lang geduurd. Haar zus ging op zoek naar haar ouders, haar broer ging opzoek naar zichzelf. En zo waren zij ook alle twee uit haar leven verdwenen, haar broer heeft nog een paar keer contact gezocht. Hij zat in een of andere geheime organisatie tegen de verbrandingen, zei de boodschapper. Maar er werd zoveel gezegd, er was maar één ding zeker, ze stond er helemaal alleen voor.

In deze tijden moest je voorzichtig te werk gaan. Een verdachte situatie en je was erbij, je was een heks. Margaretha vreesde voor haar kruidenier nadat ze de posters in de stad had gelezen. Als iemand zich niet normaal gedroeg, wratten had, veel met kruiden werkte, geneeskunst bezat, een raar uiterlijk had, of andere onbenullige kenmerken, zou het meteen een heks zijn. En zij stond nou juist bekend als ‘kruidenvrouwtje’. Als kruidenier wist ze er veel vanaf, zo had ze ook de geneeskunst van de kruiden bestudeerd, waarmee ze vaak mensen hielp. Als het bestuur over de verbrandingen daar achter kwam, was ze er geweest. Ze wist dat ze moest vluchten, maar waarheen? Overal in Nederland waren de mensen overtuigd van de bespottelijke hekserij. Ze kon maar één ding doen, het land uit. Naar Duitsland. Daar zou ze even veilig zijn, in ieder geval ontkomen aan de brandstapel, maar ze kende het land niet. Ze kende de taal niet. En ze kende de mensen niet. Snikkend staarde ze in het vlammetje van haar kaars. “Wat moet ik nou doen?” fluisterde ze, maar de kaars antwoordde niet.

Om haar gedachtes op orde te krijgen moest ze echt even naar buiten. Ze pakte de kaars en liep naar een bosje achter het huis. Ze zakte neer op een boomstam. Dit was een plek vol herinneringen. Vrolijke dingen. Hier had ze dikwijls met haar broer en zus gespeeld. Ze wenste dat die zorgeloosheid van toen terugkwam. Dit gebied was altijd haar thuis geweest, ze was er geboren en was er altijd gebleven. Toen vader ziek was en ze arm waren, had ze troost gevonden tussen die bomen, waar ze heerlijk verstoppertje kon spelen. Toen zes jaar werd, hadden ze er de hele dag gefeest. Toen ze een keer niet naar huis durfde omdat haar jurk kapot was, leek het wel of de bomen haar toefluisterden dat het wel goed zou komen. En dat was ook zo, alles kwam altijd goed, tot nu. Haar leven leek haar leven niet meer, alles was omgegooid. Iedereen van wie ze hield was weg. Zelfs het deel van haar zelf, waar ze ooit van had gehouden, was verdwenen. Ze kende geen liefde meer, alleen nog maar haat. Haat voor de vreselijke mensen, die iedere dag weer moorden pleegden, alsof het een spelletje was wat alleen zij konden winnen. En dat was ook al zo, het was een verloren potje schaak, de ene partij werd steeds verder teruggedreven door de andere. Totdat ze zichzelf in een hoek dreven. En er was maar één uitweg; de dood. Maar dat wilde Margaretha niet, ze zou zich nooit zo overgeven. Toen wist ze het zeker. Ze zou naar Duitsland gaan! Met tranen in haar ogen en een verbeten trek rond haar mond stond ze op. “Dag bomen!” fluisterde ze met schorre stem. En met trage passen liep ze naar binnen. Nog een keer keek ze over haar schouder. De kaars bleef eenzaam achter in de wind.

Lees het complete verhaal..